Mensen en zangvogels die dezelfde geluiden horen, verwerken die op een andere manier, laat onderzoek van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden zien. Waar zangvogels meerdere eigenschappen van een klank combineren om die te herkennen, leunen mensen vooral op toonhoogte. Als die toonhoogte onduidelijk wordt, speelt muzikale ervaring een belangrijke rol bij het herkennen van patronen. Volgens de onderzoekers helpt dit onderzoek ons beter begrijpen hoe luisteren werkt.
Muziek, spraak en vogelgezang bestaan allemaal uit geordende reeksen geluiden. Het gehoorsysteem moet daar structuur in ontdekken, bijvoorbeeld via toonhoogte (hoe hoog of laag een klank is). Maar een complex geluid bevat meer informatie dan alleen toonhoogte: ook de spectrale structuur, oftewel de klankkleur, is belangrijk. Een belangrijk onderdeel daarvan zijn formanten: frequentiegebieden in het geluid die extra sterk aanwezig zijn. In menselijke spraak ontstaan die formanten onder meer door de vorm van mond en keel en helpen ze ons bijvoorbeeld klinkers te onderscheiden.
‘Zebravinken gebruiken zowel toonhoogte als formanten om geluidspatronen te herkennen’, vertelt Honing. ‘Mensen vertrouwen daarentegen sterk op toonhoogte. Als die informatie beschikbaar is, hebben veranderingen in het formantpatroon nauwelijks invloed op hoe zij reeksen classificeren.’
Lees het hele bericht op de site van de UvA.