Bio-ingenieur Maarten Roeffaers leidt onderzoek naar de detectie van minuscule deeltjes plastic in ons lichaam: “We krijgen zeker microplastics binnen. Hoeveel? Dat is voorlopig nog een vraagteken, want er bestaat nog geen gestandaardiseerde meetmethode.”

“Microplastics zijn officieel alles tussen vijf millimeter en één micrometer – een duizendste van een millimeter. Alles onder één micrometer noemen we nanoplastics.” Micro- en nanoplastics kunnen dus in grootte variëren van de grootte van een erwt tot kleiner dan één van onze cellen. Sommige zijn nog zichtbaar met het blote oog, andere niet.

De term ‘plastics’ gaat ook heel breed. “De plasticfamilie omvat ook synthetische rubbers en polymeermaterialen die veel gebruikt worden in lakken en verven. De elastaan in textiel, bijvoorbeeld de rek in je sokken, is een soort plastic.” Het gaat dus om alle soorten kunststof: PET (bijvoorbeeld voor flessen), PVC (voor buizen), polypropyleen (voor dopjes), LDPE (voor folie), om er maar een paar bekende te noemen.

Wat de hoeveelheid microplastics betreft die in ons lichaam gevonden worden, zijn de cijfers heel uiteenlopend. Dat heeft te maken met de meetmethode. “De standaardtechniek is pyrolyse en gas-chromatografie, iets wat je de ‘chemische neus’ zou kunnen noemen. Men neemt een staaltje weefsel, bijvoorbeeld uit de hersenen, en brengt dat op heel hoge temperatuur in afwezigheid van zuurstof. In de damp die zo vrijkomt, zoek je dan naar de geurafdruk van plastics. Je krijgt dan een kwantitatief signaal van microplastics.”

In de laboratoria van Roeffaers, gehuisvest in de onderzoeksfaciliteiten van Leuven Chem&Tech en Leuven NanoCentre, maakt hij gebruik van een andere aanpak: lichtmicroscopie met fluorescentie.

Lees de hele tekst op de site van de KU Leuven.

Fluorescente microplastics onder de lichtmicroscoop: al naargelang het type plastic veranderen de microplastics – hier kleiner dan acht millimeter – onder de microscoop van kleur. © Roeffaers Lab | KU Leuven
Deel via: