Cognitief neurowetenschapper Jurriaan Witteman schreef een stuk over replicatie:
“In de wetenschap proberen we de beste ideeën te vinden om de wereld om ons heen te verklaren. De beste ideeën in de wetenschap noemen we theorieën – een verzameling van stellingen waarmee we een aspect van de wereld kunnen verklaren en dus ook voorspellen. Deze theorieën zijn gebaseerd op regelmatigheden die zijn geobserveerd en die verklaard kunnen worden door de theorie. Zo verklaart de evolutietheorie bijvoorbeeld waarom je herhaaldelijk unieke diersoorten ziet in geïsoleerde gebieden zoals eilanden. Om een goede theorie te krijgen moet je dus eerst herhaalbare patronen (feiten) hebben om te kunnen verklaren, want als er geen regelmatigheden zijn, valt er ook niets te verklaren.
In de cognitieve neurowetenschappen hebben we nog geen echte theorieën maar wel modellen van hoe de menselijke hersenen bepaalde informatie zouden kunnen verwerken. In de neurolinguïstiek willen we meer specifiek weten hoe de menselijke hersenen taal produceren en begrijpen. Een veel gebruikte meetmethode om hersenactiviteit te meten terwijl mensen taal verwerken is MRI (magnetic resonance imaging). Er is echter toenemend recent bewijs dat MRI-onderzoek, met name als er kleine steekproeven worden getrokken, soms geen regelmatig patronen oplevert – het patroon is dan heel anders als de studie precies herhaald wordt. Dit is een probleem voor neurale modellen van taalverwerking omdat sommige patronen van hersenactiviteit die zij proberen te verklaren geen robuuste patronen (feiten) zijn. Replicatieonderzoek binnen de neurolinguïstiek is dus nodig om te achterhalen welke resultaten robuust zijn.”
Lees het hele stuk bij de Jonge geesten.