De eerste generatie sterren die straalden in een toen nog donker heelal bestonden uit waterstof en helium. Dat moest wel, want zwaardere elementen waren er toen nog niet. ‘Nog nooit heeft iemand zo’n eerste generatie ster geobserveerd,’ vertelt RUG-onderzoeker Else Starkenburg, ‘en er zijn ook nog maar zo’n veertig sterren van relatief vroege generaties gevonden.’ Starkenburg is betrokken bij internationale programma’s die met nieuwe instrumentatie voor miljoenen sterren in de noordelijke en zuidelijke hemel gaat bestuderen waar ze van gemaakt zijn. ‘Hiermee verwachten we veel meer vroege generatie sterren te vinden. En dat opent mogelijkheden voor heel nieuwe onderzoeksvragen.’
Onze zon bestaat voornamelijk uit waterstof (92,1 procent van de deeltjes) en helium (7,8 procent van de deeltjes). Maar er zitten ook heel kleine hoeveelheden in van bijvoorbeeld ijzer, silicium en magnesium. Dat kan alleen maar afkomstig zijn van andere, oudere sterren. In het binnenste van de eerste generatie sterren werd waterstof samengeperst tot helium: kernfusie, een proces dat enorm veel energie produceert. Als alle waterstof is omgezet stopt de kernfusie en zal de ster onder invloed van zwaartekracht ineenklappen. Dat voert de druk in het binnenste weer op, waardoor de ster kan overgaan tot kernfusie met zwaardere elementen. Dit levert nóg zwaardere elementen op, tot ijzer aan toe.
Aan zijn levenseinde zal de ster instorten, wat een schokgolf teweeg brengt die leidt tot een supernova, en de vorming van nog meer zwaardere elementen. De restanten van de ster worden het heelal in geslingerd, en uit dit materiaal vormt zich de volgende generatie sterren, die naast waterstof en helium ook zwaardere elementen uit de vorige generatie bevat.
Lees het hele bericht op de site van de Rijksuniversiteit Groningen.