Opvattingen over het goede leven
Op dit moment zijn er twee dominante manieren waarop de discussies over klimaatverandering gevoerd worden. De eerste is de wetenschappelijke: het gaat er dan vooral over hoe en wat er gemeten wordt, of wat de technologische oplossingen voor het klimaatprobleem zouden kunnen zijn. De tweede is het politiek-economische discours, dat gaat over of en welke beleidsveranderingen ingevoerd zouden moeten worden.
Een belangrijk perspectief blijft daarbij onderbelicht: dat van cultuur. De Indiase romanschrijver en essayist Amitav Ghosh heeft in zijn spraakmakende essay The Great Derangement overtuigend betoogd dat klimaatverandering ook als een cultureel probleem gezien moet worden. Daarmee bedoelt hij dat klimaatverandering veroorzaakt wordt door een ‘culturele matrix’ die zijn origine heeft in de westerse wereld, en die bepaalde opvattingen over het goede leven heeft uitgerold over de gehele planeet, met alle gevolgen van dien. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de toename van vleesconsumptie in delen van de wereld waar men van oudsher een hoofdzakelijk vegetarisch dieet had. Deze manieren van leven hangen nauw samen met de verhalen die we over onszelf vertellen, en de beelden die we oproepen wanneer we praten over, bijvoorbeeld, luxe en genot (luxe = een biefstuk). De klimaatcrisis, aldus Ghosh, is dan ook evenzeer een crisis van de verbeelding, een teken van ons onvermogen om ons leven op een andere manier voor te stellen en vorm te geven.
De vraag hoe met klimaatverandering om te gaan, kan dus niet beantwoord worden zonder die culturele dimensie mee te nemen. En dat betekent dat we weer moeten reflecteren op de aloude vraag van het goede leven. Deze vraag is in de westerse wereld lang veronachtzaamd, juist omdat de naoorlogse, liberaal-democratische wereldorde het antwoord op die vraag open wilde houden: iedereen zou dit voor zichzelf moeten kunnen en moeten bepalen. Als gevolg daarvan heeft echter de markt die ideologische functie overgenomen: via reclame en sociale media wordt ons nu verteld hoe en waarvan we moeten genieten. Maar de markt werkt volgens het principe dat genoeg nooit genoeg is: er is altijd meer te genieten (wat Jacques Lacan surplus de jouir noemde, het overschot dat in iedere vorm van genot zit).
We zouden onze opvattingen over het goede leven, over dat waarnaar we verlangen en wat we nastreven, weer terug onder controle moeten krijgen. In plaats van dat we ons verlangen en genot aan de markt overlaten, moeten we hier een open, democratisch gesprek over voeren. Daarbij kunnen kunstenaars en romanschrijvers als Ghosh een cruciale rol spelen – niet omdat ze ons voorschrijven wat we moeten verlangen, maar omdat ze onze verbeeldingskracht kunnen stimuleren, om ons alternatieve vormen van het goede leven voor te stellen, voorbij degene die ons voorgeschoteld worden door het kapitalisme.