Oorlog, leed en trauma zijn dominant als we aan vroeger denken, zegt emeritus hoogleraar Ann Rigney. “Als we meer aandacht geven aan hoopvolle gebeurtenissen uit het verleden, is het makkelijker om hoop te houden. (…) “Hoop is de bereidheid om samen problemen op te lossen.”
Rigney was van 2003 tot haar emeritaat in 2024 hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op de manier waarop het verleden richting geeft aan het heden.
Wat is bepalend in wat blijft hangen van historische gebeurtenissen?, vroeg Rigney zich af en zocht naar positieve herinneringen. Ze kwam uit bij de Commune van Parijs, die een belangrijk onderdeel vormt van haar meest recente boek Remembering Hope: The Cultural Afterlife of Protest.
De Commune van Parijs was de revolutionaire en socialistische regering die stad van 18 maart tot 28 mei 1871 bestuurde. Ze kwam voort uit een burgerbeweging, waarvan het grootste deel uit de arbeidersklasse bestond. “Het einde was een totaal échec”, vertelt Rigney. “15.000 Parijzenaren werden afgeslacht. Maar tot mijn verbazing, werd de herinnering aan de commune door aanhangers als een feest ervaren. Samen eten, dansen, muziek maken.”
De sleutel lag bij de datum van herdenken. Ze richtten zich niet op het einde, maar op het begin: 18 maart. “Bij een klassiek verhaal bepaalt de afloop de betekenis, maar hier zag ik iets geheel anders. Het beeld dat een groep mensen verandering te weeg kon brengen, zelfs een stad overnemen – al was het maar voor even – gaf een enorme ervaring van kracht, die collectief bleef hangen.
Lees het hele interview met Rigney op de site van DUB, het onafhankelijke blad van de UU.