Oudheidkundigen en klimaatverandering
Kunnen oudheidkundigen iets vertellen over klimaatverandering? Natuurlijk. Het gebeurt ook. Zo schreef de Amerikaanse archeoloog Eric Cline twee prachtboeken over de twaalfde eeuw v.Chr., toen de Bronstijdculturen van Egypte, Anatolië, Cyprus, Mesopotamië en Griekenland kampten met grote problemen, waaronder klimaatverandering. In het eerste boek, 1177 BC. The Year Civilization Collapsed (2014), vertelde Cline over de moeilijkheden waarmee men destijds kampte; in het tweede boek After 1177 BC. The Survival of Civilizations (2024) beschreef hij hoe sommige samenlevingen eraan onderdoor gingen terwijl andere profiteerden.
Beide boeken zijn meesterwerkjes, aangezien Cline zich moet baseren op gegevens die boterzacht zijn. De archeologische vondsten laten diverse interpretaties toe, terwijl de teksten schaars zijn en ambigu. Allerlei interpretaties zijn mogelijk. Desondanks schetst Cline een overtuigend beeld van die moeilijke periode.
De schaarste en ambiguïteit van de data vormen hét kentheoretisch probleem van de oudheidkunde en oudheidkundigen werken daarom met modellen die zijn gebaseerd op tijdvakken die beter bekend zijn. Cline benut de inzichten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) om te reconstrueren hoe samenlevingen omgaan met klimaatverandering. Hij analyseert zijn tekortschietende data dus door zich te laten leiden door robuustere informatie.
Aan het einde van het tweede boek doet Cline echter iets wonderlijks. Hij presenteert zeven “Societal lessons learned from the Late Bronze Age Collapse and aftermath”. Maar… de klimaatlessen voor onze eigen tijd zijn gebaseerd op een beeld van de Oudheid dat is gemodelleerd naar klimaatinzichten uit onze eigen tijd. Dit is een echoput.
Kunnen oudheidkundigen dus iets vertellen over klimaatverandering? Natuurlijk, maar het is niet altijd nuttig. Je kunt inzichten in een periode waarover we weinig robuuste informatie hebben, niet gebruiken om advies te geven aan een periode waarover we die wel hebben.
Er zijn hier twee conclusies te trekken. De eerste: als oudheidkundigen zeggen dat je in de Oudheid ook klimaatverandering had (of pandemieën, fake nieuws, populisten…), weten we meer over een lang vervlogen wereld, en dat is voldoende, maar méér kunnen oudheidkundigen niet leveren. Ze kunnen ons niet adviseren. Althans niet over klimaatverandering. Oudheidkunde is vrij nutteloos.
Dat weten archeologen, classici en oudhistorici natuurlijk ook. Maar ja, de financier eist dat onderzoek relevantie bezit. Zo groeit een situatie waarin wetenschappers onderling hun twijfels delen maar zich naar buiten toe presenteren met ongerechtvaardigd veel pretentie. De tweede conclusie heeft weinig te maken met klimaatverandering, maar alles met het wetenschappelijk bedrijf: de grens tussen wetenschappelijke conclusies, hype en fondsenwerving raakt gevaarlijk ver uit zicht.