Kwetsbaarheid als lens

Op het gebied van het klimaat is het (internationale) recht volop in ontwikkeling. Zowel het Internationaal Gerechtshof (IGH) als het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (IACtHR) hebben inmiddels geadviseerd over de verantwoordelijkheid van Staten voor het beschermen van mensenrechten en voorkomen van klimaatverandering. Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft zich over verschillende klimaatzaken gebogen. Het heeft bepaald dat minimumvereisten aan het reguleringskader moeten worden gesteld en dat een milieu-impact-assessment onderdeel moet uitmaken van vergunningverlening. De rechtspraak van het EHRM en de adviezen versterken elkaar en werken door in nationale rechterlijke procedures. Wat daarin echter nog ontbreekt, is aandacht voor de belangen van de ‘non-human world’. De mens blijft vooropstaan.

Tegelijkertijd heeft het recht slechts een beperkte rol te spelen bij het oplossen van het klimaatprobleem. Zoals het IGH overweegt, vergt een oplossing ‘the contribution of all fields of human knowledge’. De oorzaken van de klimaatproblematiek liggen immers diep verankerd in economische en sociale systemen, vaak gekenmerkt door kapitalisme, kolonialisme en structurele ongelijkheid. Deze structuren zijn in zekere zin ook verankerd in het rechtssysteem. Wil het recht daadwerkelijk een rol spelen in het teweegbrengen van een verandering, dan zal het ook aan deze onderliggende structuren aandacht moeten worden besteed. Een vruchtbaar perspectief om deze blinde vlekken te adresseren, is de ‘vulnerability movement’. Geïnspireerd door het werk van Martha Fineman wordt ervan uitgegaan dat de mens zowel fysiek als sociaal afhankelijk van zijn omgeving wordt geboren en daar zijn hele leven afhankelijk van blijft. Kwetsbaarheid vervangt autonomie als het centrale kenmerk van de mens. Kwetsbaarheid als lens vraagt om een andere manier van kijken naar (en door) het recht. Hoewel er geen uniforme visie is op wat kwetsbaarheid precies inhoudt of hoe het moet worden toegepast in de praktijk, lijkt er een gedeelde overtuiging te zijn dat het concept mensenrechten dicht bij ‘real-lived experiences’ kan brengen. Daarmee biedt het een manier om een robuuster begrip van materiële gelijkheid in het mensenrechtenrecht te integreren (Timmer e.a. 2021).

De kwetsbaarheidstheorie maakt bovendien zichtbaar hoe ideologieën zoals developmentalism en neoliberalisme diep in onze sociale en juridische structuren verankerd zijn, ook in het mensenrechtenkader zelf. Het zijn precies deze ideologieën die onder ogen moeten worden gezien. Pas wanneer deze blinde vlekken eenmaal zichtbaar zijn, ontstaat ruimte om opnieuw na te denken over de reikwijdte van mensenrechten en de verplichtingen voor staten. Dat dat nodig is, blijkt onder meer uit overwegingen van het IPCC (de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering):

Human and ecosystem vulnerability are interdependent (high confidence). Vulnerability of ecosystems and people to climate change differs substantially among and within regions (very high confidence), driven by patterns of intersecting socio-economic development, unsustainable ocean and land use, inequity, marginalisation, historical and ongoing patterns of inequity such as colonialism, and governance (high confidence).

De lens van de kwetsbaarheidstheorie leidt in ieder geval tot een andere blik op onze relatie met niet-menselijk leven en roept de vraag op of, en op welke wijze, de reikwijdte van mensenrechten ook dit domein zou moeten omvatten. Op nationaal niveau kan dit bijvoorbeeld leiden tot discussies over de wenselijkheid van de inzet van het strafrecht voor het behoud van het ecosysteem. Dat kan een paradigmaverschuiving betekenen. Het wetsvoorstel implementatie van de herziene Europese richtlijn Milieucriminaliteit zet de eerste stappen in deze richting door gekwalificeerde misdrijven op te nemen die gedragingen kunnen omvatten die vergelijkbaar zijn met ecocide. Daarnaast zie ik op korte termijn mogelijkheden om af te dwingen dat belangen van de ‘the non-human world’ daadwerkelijk worden betrokken bij de totstandkoming van regelgeving, beleid en besluiten. Uiteindelijk zal het (wederom de woorden van het IGH) aankomen op ‘human will and wisdom – at the individual, social and political levels – to change our habits, comforts and current way of life in order to secure a future for ourselves and those who are yet to come’.  

 

Deel via: