Alternatieve bewegingen in Indonesië
Guterres’ Code Rood geldt ook voor Azië. Indonesië, waar ik veel werk, is ‘s werelds grootste steenkoolexporteur en wordt bestuurd door tamelijk autoritaire neoliberalen. Media en parlement zijn veelal in handen van steenkool- en palmoliemagnaten. De meeste Indonesiërs geloven verzekeringen dat alles in goede beleidshanden is.
Toch ken ik daar ook alternatieve bewegingen met een positieve boodschap. Die richten zich minder op de CO2-uitstoot dan op een nieuwe omgang met de natuur. Ze beschrijven milieuonvriendelijke bedrijven als handlangers van buitenlands kapitalisme. Authentiek verzet beelden ze uit als geworteld in de tradities van hun inheemse voorouders. De At-Thaariq ‘Groene’ islamitische school, bijvoorbeeld, in een West-Javaans provincieplaatsje, wordt geleid door een vrouw, die haar honderden studenten vertelt over ecofeminisme, ecosocialisme, en organisch eten.
Hoewel nu klein, zie ik twee redenen waarom hun invloed zou kunnen groeien. Ten eerste staan Indonesiërs historisch dicht bij het kolonialisme. De klimaatcrisis is het grootste mondiale onrecht sinds dat kolonialisme. De hedendaagse strijd voor klimaatgerechtigheid ligt in het verlengde van hun revolutionaire antikoloniale strijd voor sociale gerechtigheid in de jaren 1940. Dat weten ze.
Ten tweede waarderen zij de eerbied waarmee hun voorouders zich verhielden tot de natuur. Zelfs verstedelijkte middenklassers zien hun oma een offertje plaatsen onder de heilige boom. Maar voor die ouderen is ‘natuur’ niet iets om te beschermen alsof het een antieke Griekse tempel is. Men wil er op een gezonde manier in leven. Verscheidene inheemse groepen vechten tegen vernieling van ‘hun’ natuur.
Afkeer van neokolonialistische uitbuiting, en gemeenschappelijk, ethisch verzet: dat typeert veel Indonesische bewegingen, vooral in regio’s waar mijnbouw en plantages de natuur stukmaken. Samen met Indonesische collega’s onderzoek ik hoe, geheel onafhankelijk van elkaar, zij toch een gezamenlijke boodschap uitdragen. De Saminbeweging in Midden-Java ontstond als Gandhi-achtig vreedzaam antikoloniaal verzet al in de jaren 1890. Ze bestrijden nu een grote cementfabriek die hun kalksteenbergen opvreet. Papoea’s protesteren al jaren tegen de vernietigende mijnbouw door Amerikanen in hun gebergtes, en nu tegen de ontginning van een enorm wetlands gebied voor de voedselexport. Bataks in Sumatra – vaak geleid door vrouwelijke activisten – verzetten zich ook al lang tegen een papierfabriek die het bos opeet rondom hun Tobameer.
Hun boodschap resoneert met die van soortgelijke bewegingen elders – van Buen Vivir in Zuid-Amerika tot Ubuntu in Zuid-Afrika. Komen zij samen tot een geloofwaardig alternatief, vanuit het Zuiden, voor het mislukte neoliberale ideaal?