Drones zijn in opmaars maar hun navigatie vereist nog veel rekenkracht en geheugen, waardoor ze zwaar, duur en energieverslindend zijn. Wetenschappers onder leiding van de TU Delft hebben bestudeerd hoe honingbijen hun weg vinden, en hebben zo het navigatieprobleem voor drones proberen op te lossen.
Het wetenschappelijke team, bestaande uit robotici van de TU Delft en biologen van de Universiteit van Wageningen en de Carl von Ossietzky Universiteit in Oldenburg, presenteerde „Bee-Nav“: een navigatiestrategie voor robots en drones die is geïnspireerd op honingbijen. Hierdoor kunnen zelfs zeer kleine robots ver van huis reizen en veilig terugkeren, met behulp van een neuraal geheugen van slechts 42 kilobyte. In een nieuwe omgeving voert de drone eerst een korte leervlucht uit in de buurt van huis, net zoals honingbijen dat doen. Daarna kan het honderden meters verder vliegen en toch de weg terug vinden. Bee-Nav stelt lichte, veilige robots in staat om zelfstandig te navigeren, wat de deur opent naar toepassingen zoals vlinderachtige drones die kassen in de gaten houden. Het onderzoek biedt ook nieuw inzicht in hoe vliegende insecten de weg naar huis vinden.
Honingbijen laten zien dat er een efficiënte navigatieoplossing bestaat. Ondanks hun kleine hersenen kunnen ze lange afstanden afleggen en toch weer thuiskomen. Dit doen ze deels door middel van odometrie: ze schatten aan de hand van visuele bewegingssignalen in hoe ver en in welke richting ze zich hebben verplaatst. Helaas vertoont odometrie na verloop van tijd afwijkingen, waardoor de nauwkeurigheid steeds verder afneemt. Daarom vertrouwen insecten ook op hun visuele geheugen.
Lees het hele verhaal op de site van de TU Delft.