Uit onderzoek van microbiologen Reinier Egas en Cornelia Welte van de Radboud Universiteit blijkt dat veel methaaneters eigenlijk veel liever koolstofmonoxide eten dan methaan: als er dus koolstofmonoxide is, wordt er veel minder methaan gegeten. Dat zou betekenen dat op koolstofmonoxiderijke plekken mogelijk ook meer methaan uit de bodem in de lucht komt.
In de bodem zitten methanotrofen: micro-organismen die methaan uit die bodem opeten. Dat is handig, want anders zou het schadelijke broeikasgas in de lucht komen. Egas en Welte onderzochten wat er gebeurt als je die methaaneters iets anders voert dan methaan. ‘Wat bleek is dat bepaalde methaaneters veel liever koolstofmonoxide eten dan methaan. Op koolstofmonoxiderijke plekken zal er dan wellicht ook minder methaan opgegeten worden.’
Op zich is dat logisch te verklaren, want koolstofmonoxide levert veel meer energie op dan methaan en de methaaneters waren veel actiever als ze koolstofmonoxide aten. Egas: ‘We zagen in het DNA dat deze micro-organismen zelfs veel meer gebouwd zijn op het eten van koolstofmonoxide dan op het eten van methaan. Er was niet één gen dat koolstofmonoxide at, maar acht; dat is uitzonderlijk veel. Methaaneters zijn een beetje als een panda die bamboe eet: die moet ook heel veel naar binnen stoppen om een beetje energie te krijgen. Totaal niet efficiënt.’
Lees het hele bericht op de site van de Radboud Universiteit Nijmegen.