Een interview met God
door Joachim Duyndam, humanist
Op een avond in november zat ik nog wat te schrijven en te schaven aan een artikel over het thema ‘geest’. Als filosoof houdt de geest mij al heel lang bezig, maar de laatste tijd vraag ik me urgent af hoe we in de wereld, en vooral in het westen, in zo’n naargeestige tijdgeest zijn geraakt. Een tijdgeest waarin – om slechts enkele aspecten van de huidige ‘naargeest’ te noemen – wantrouwen en afgunst, rancuneuze complottheorieën en klimaatontkenning zo dominant zijn geworden. Naargeest drijft op het sentiment dat ‘vroeger alles beter’ was. Zo verhindert naargeest de toekomst. Maar zonder zicht op toekomst redden we het niet, en zal de aarde steeds verder opwarmen, waardoor vele soorten zullen uitsterven, waaronder ook de mens. Zo ongeveer ging mijn analyse.
“Wat zou God hier nu van vinden,” vroeg ik me hardop af.
Tot mijn schrik verscheen er opeens een helder licht in mijn schemerige werkkamer. Naast mijn computerscherm stond een engel. “Vrees niet”, sprak zij. “God heeft u gehoord, Hij zal uw vraag beantwoorden.” “Eh … hoe kan dat?” stamelde ik beduusd. “God staat achter u. Luister goed, maar kijk niet om. Geen mens kan God zien.” En weg was de engel. De schemer keerde terug.
Achter mij hoorde ik geschuifel. Maar het bleef stil. “God?”, vroeg ik voorzichtig. “Hier ben Ik,” sprak een zachte stem. “Ik ben hier, omdat Mijn schepping in gevaar is. Jij vroeg wat Ik hiervan vind. Welnu, het gaat Me aan het hart. Ik lijd. En Ik lijd nog het meest aan het onbegrip van jullie mensen, terwijl jullie je toch de kennis van goed en kwaad hebben toegeëigend.
“Onbegrip?” vroeg ik verbaasd. “Maar wat kúnnen we weten? Weten wat te doen? En wat mogen we hopen?”
“Ah, de filosoof,” antwoordde Hij, niet zonder ironie. “O humanist, O mens. Het staat allemaal in het eerste hoofdstuk van Mijn eerste boek. De rest is geschiedenis, dat is jullie werk, mét de kennis van goed en kwaad. Daar heb Ik geen invloed meer op, geen macht.”
Zo’n direct antwoord had ik niet verwacht. Toch snapte ik nog niet waar Hij heen wilde.
“Ik denk,” zei Hij, “dus Ik ben twee ideeën, zoals daar geschreven staat, twee essenties. Allereerst de schepping. Die verheft zich vanuit wat woest en ledig is. En Ik zag dat het goed was. Vervolgens de mens, die Ik schiep naar Mijn beeld en gelijkenis. Naar Mijn beeld en gelijkenis als schepper, wel te verstaan. Naar Mijn beeld is de mens geest, verlangen naar betekenis. Naar Mijn gelijkenis is de mens mimesis, het vermogen betekenis te geven. Beide vormen Mijn schepping van de mens, samen verheffen zij de mens uit wat woest en ledig, betekenisloos, is.”
“Wat een goed idee” reageerde ik, onder de indruk.
“Goed, maar ook gevaarlijk”, waarschuwde Hij. “Want Mijn schepping is nu jullie schepping. Jullie moeten het zélf doen, en blijven doen, over de generaties. Zelf, maar niet alleen. Weet dan dat geest en mimesis samen horen, verlangen en betekenis zijn één beweging. Beweging, maar ook kracht. Zonder geest heeft mimesis geen richting, en keert de kracht zich tegen jullie schepping. Dan vallen jullie terug naar woest en ledig.”
“Bedoelt U nihilisme?”, vroeg ik geschrokken.
“Jij zegt het. Nihilisme is de gevaarlijke permanente dreiging, inherent aan de schepping, Mijn schepping uit het woest en ledige, en jullie dreigende terugval daarin. Naargeest is het gebrek aan geest. Daarom moeten jullie geest scheppen. Neem Mijn schepping maar als voorbeeld, niet Mij maar Mijn scheppen. Geest die weerbaar is, die weerbaar máákt, tegen de naargeest van woest en ledig. Dus iets scheppen. Dat is wat jullie moeten doen – dat was toch je vraag?”
Het begon mij te duizelen. Ik had nog de tegenwoordigheid van geest te vragen: “Hoe herken je nihilisme?”
“Aan de zondebok,” zei Hij. “Weerbaar kun je alleen samen zijn, maar gemeenschap die zondebokken nodig heeft is niet weerbaar tegen het woest en ledige. Die is overgeleverd aan naargeest. Weerbaar samen en samen weerbaar; daarvoor zijn jullie op elkaar aangewezen. Dat kan alleen maar goed gaan als geest en mimesis samenwerken. Mimesis zonder het verlangen van de geest wordt imitatie, imitatie van elkáárs verlangens. Imitatie verheft niet, maar escaleert. Dan draait de wereld dol, en warmt de aarde op.”
Zo eenvoudig kan het zijn, dacht ik, en ik dacht aan René Girard. Het was een tijdje stil. Toch voelde ik dat Hij nog steeds achter mij was. De stemming was gespannen.
“In Mijn schepping zit een weeffout,” gaf Hij schoorvoetend toe. “En dat terwijl taal toch Mijn instrument is. Ik schiep de mens naar Mijn beeld en gelijkenis. Beeld en gelijkenis heb Ik jou zonet uitgelegd: geest en mimesis, verlangen naar betekenis en betekenispotentie. Maar Ik heb verzuimd ‘en’ uit te leggen, over het hoofd gezien. Ik heb de lichamelijkheid van jullie mensen onderschat.”
“Als filosoof weet ik hoe moeilijk ‘en’ is,” beaamde ik; “vlot gezegd, zelden begrepen.”
Ik voelde dat de tijd ging dringen, Zijn bezoek liep ten einde. “Kunt U ten slotte misschien nog ‘en’ ontsluiten?
“En is de verbinding,” zei Hij. “Voor lichamelijke wezens is discipline de sleutel tot verbinding.” En even later: “Nu weet je het, nu kun je optreden, en nu mag je hopen.”
Ik besefte dat dit, discipline, het antwoord is op de filosofische oervragen die ik citeerde: wat kunnen we weten; wat moeten we doen; en wat mogen we hopen?
“Wat als het toch mis gaat?” probeerde ik nog, helemaal ten slotte.
“Dan kan Ik er niets meer aan doen”, antwoordde Hij. “Dan moet Ik wachten tot de evolutie een nieuwe soort heeft voortgebracht. Een soort die geschikt is om te scheppen, naar Mijn beeld en gelijkenis, maar dan zonder weeffout. Dat heb ik van jullie schepping geleerd. Het kan wel even duren, misschien wel miljoenen jaren. Maar Ik heb de tijd. Want Ik bén de tijd.”
Toen bleef het stil. Intussen was het ochtend geworden, er viel weer licht van buiten in mijn werkkamer. Er kwam een vreemde vastberadenheid over mij.