Intergenerationele klimaatrechtvaardigheid
Schouder om schouder schuifelen we langzaam door de ijzige wind die langs het Malieveld snijdt. Om me heen zie ik bekladde kartonnen borden vol provocerende leuzen. Het lijken vooral de vijftigplussers die deze dag op de been zijn voor de klimaatmars. Opmerkelijk, aangezien ik om mij heen grote spandoeken zag die pleiten voor intergenerationele klimaatrechtvaardigheid.
In het klimaatdebat hebben we het vaak over het beste doen voor ‘de toekomst’ en ‘de volgende generaties’. Dat klinkt nobel, maar ook wat hol. Want wie wil er nu géén leefbare planeet achterlaten voor zijn kinderen? Toch is het idee van een nalatenschap een belangrijke drijfveer voor veel mensen.
Tegelijkertijd roept het idee van intergenerationele (klimaat)rechtvaardigheid fundamentele vragen op. In mijn studies International Relations and Organizations en Filosofie onderzoek ik de theoretische raamwerken die schuilgaan achter dit soort ogenschijnlijk vanzelfsprekende ideeën, vaak precies daar waar de achilleshiel van het klimaatdebat zichtbaar wordt.
Want kunnen we eigenlijk rechten toekennen aan mensen die nog niet bestaan? Filosofen noemen dit het non-existence problem: als toekomstige mensen nu nog niet bestaan, hoe kunnen we zeggen dat hen nu iets ‘toekomt’?
Daarbij komt ook nog de vraag: hoe ver reikt onze verantwoordelijkheid? Is dat tot onze kinderen en kleinkinderen, of ook tot de generaties over, zeg, vierhonderd jaar? Als we terugkijken naar Nederland in 1625 is het bijvoorbeeld lastig om overeenkomsten te vinden. De hoge piefen van de VOC lagen vermoedelijk niet wakker van het welzijn van Millennials of Gen Z’ers. Dus is het niet naïef om te denken dat wij wél morele verplichtingen hebben richting de verre toekomst?
Voor mijn scriptie richt ik me dan ook op hoe deelname aan gemeenschappen, zoals families, dorpen of een democratie, richting kan geven aan onze verantwoordelijkheden tegenover toekomstige generaties. In een familie voelt zorg bijvoorbeeld vanzelfsprekend. Ouders zorgen voor hun kinderen, kinderen voor hun ouders. Datzelfde besef zou ook moeten gelden binnen de gemeenschap van burgers. In bredere gemeenschappen zouden we die vanzelfsprekendheid misschien opnieuw moeten leren: verantwoordelijkheid is geen abstract principe, maar iets wat je samen actief oefent en volhoudt.
In Nederland zouden we bijvoorbeeld ook veel kunnen leren van andere landen als het gaat om institutionele experimenten. Zo staan er bij enkele bestuursorganen symbolisch lege stoelen voor toekomstige generaties – een erkenning dat zij die nog niet geboren zijn geen stem hebben in beslissingen die hun rechten nu al kunnen aantasten. Het parlement in Finland laat zich adviseren door een raad die de belangen van de toekomst bewaakt en Hongarije heeft zijn eigen ombudsman die waakt over het welzijn van toekomstige generaties.
Intergenerationele klimaatrechtvaardigheid is dan ook geen abstract moreel gebaar naar een vaag ‘later’, maar een plicht die voortkomt uit ons lidmaatschap van een democratische gemeenschap. Het vraagt niet alleen dat we af en toe met een kartonnen bord de straat op gaan, maar dat we actief burgerschap tonen en durven bouwen aan instituties, regels en gewoontes die toekomstige generaties beschermen, ook als zij er nog niet zijn om ons eraan te herinneren. En als dat betekent dat we nog eens schouder aan schouder door de ijzige wind moeten schuifelen, dan is dat gewoon onderdeel van het pakket.