Literatuur en het besef van eindigheid

De ontregeling van klimaat en leefwereld is letterlijk onherroepelijk: de komende ontsporing zit al ingebakken in de stand der dingen. Ongetwijfeld zullen we erin slagen ons hier en daar aan de veranderingen aan te passen. Hoewel videogames en blockbusters ons anders willen doen geloven, is een totale apocalyps — met of zonder zombies — niet het waarschijnlijkste scenario. Dat betekent dus dat we ermee zullen moeten leren leven. Of op zijn minst: in een ontvolkende en steeds gevaarlijkere wereld zijn sommigen van ons gelukkig gedoemd er mee te moeten leren leven.

In de literatuur- en cultuurwetenschap is klimaatverandering in het afgelopen decennium een prominente onderzoeksfocus geworden. Die aandacht voor de ecologische crisis is vooral ingegeven door hoop: de hoop dat de manieren waarop literatuur en cultuur die verandering beschrijven of meer duurzame levensvormen gaan verbeelden een verschil kunnen maken. Literatuur en cultuur, dus, als arsenalen voor kritiek, als toolkits voor een minder beschadigd leven.

Ik geloof er weinig van. Als niets ons van de ontregeling kan redden, dan ook literatuur niet. Wat niet betekent dat literatuur opeens irrelevant wordt voor onze omgang met klimaatontregeling, wel integendeel. Wat literatuur bij uitstek gemeen heeft met onze levens op een steeds onherbergzamere planeet is een onmiskenbare kwetsbaarheid — een broosheid ingegeven door een steeds acuter besef van eindigheid — een besef dat niets nog veel langer vanzelfsprekend zal zijn. Op de keper beschouwd is dat ook een reden waarom literatuur en literatuurstudie zich zo nadrukkelijk op klimaatverandering gericht hebben: om relevant te blijven, om zichtbaar te zijn, om waarde te ontlenen aan het grote thema van deze tijd op een moment dat de waarde van literatuur en literatuurstudie minder vanzelfsprekend is dan ooit.

Daar zit denk ik het potentieel: boeken lezen, verhalen vertellen, ideeën delen vanuit het besef dat er binnenkort minder zal zijn—minder literatuur, minder lezers, minder leven. Vanuit het besef dat er niet oneindig veel tijd rest om verhalen door te geven, en dat elk verhaal een opportunity cost heeft. Vanuit het besef van eindigheid. De Amerikaanse literatuurwetenschapper (en Irak-veteraan) Roy Scranton heeft dat learning to die in the Anthropocene genoemd: een soort overlevingskunst waar literatuur (en kunst en cultuur en religie) bondgenoten zijn, al was het maar omdat ze zelf broze en bedreigde verschijnselen zijn.

Elk verhaal een oefening in sterven — elk verhaal een oefening in verder leven met minder leven. Het klinkt, toegegeven, wat zweverig en mystiek. Maar het benoemt wat mij betreft wel een bevreemdend besef: niet meer geloven dat verhalen ons gaan redden, maar wel nog meer dan ooit voelen dat verhalen nodig zijn.

 

 

 

 

 

Deel via: