Roofdieren zijn doorgaans groter, sneller en sterker dan hun prooi, maar slagen er meestal niet in om die te vangen. In een nieuw onderzoek stellen onderzoekers van het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamics (IBED) van de UvA de vraag: hoe krijgen prooien het voor elkaar zo vaak te ontsnappen?
Het actief achtervolgen van een vluchtende prooi is een van de meest fundamentele fenomenen in het dierenrijk. ‘Je ziet het overal’, zegt Lars Koopmans, eerste auteur en promovendus bij het IBED. ‘Van vliegen die minder dan een gram wegen tot orka’s die duizenden kilo’s wegen.’ Benjamin Martin, universitair docent bij de afdeling Theoretische en Computationele Ecologie aan het IBED en medeauteur, vergelijkt het met tikkertje. ‘Stel je voor dat je tikkertje speelt met iemand die vijf keer zo snel is als jij. Hoe kun je ooit wegkomen?’
Toch ontsnappen prooien vaak. Al decennialang verklaren wetenschappers dit aan de hand van een eenvoudig concept: manoeuvreerbaarheid. Prooien zijn meestal kleiner en daardoor wendbaarder. Een klassiek model, bekend als de turning gambit, stelt dat een prooi door op het juiste moment scherp uit te wijken aan een roofdier kan ontsnappen, zelfs als dat roofdier sneller is. Het model voorspelt zelfs precies hoe wendbaar een prooi daarvoor moet zijn.
De onderzoekers ontdekten dat de sleutel ligt in iets wat in het oorspronkelijke model over het hoofd was gezien: reactietijden.
Lees het hele verhaal op de site van de UvA.