“Ik zit in een tram met zo’n vijftig andere passagiers; de overgrote meerderheid is gebogen over een telefoon; sommigen typen, anderen praten en weer anderen kijken er gewoon naar. Dit is geen nieuw tafereel. Wat misschien wel nieuw is, is het feit dat het nu bijna onmogelijk is geworden om vast te stellen of deze mensen überhaupt nog contact hebben met een ander mens. Dit is onze huidige realiteit: de ambiguïteit die generatieve AI bij de mens teweegbrengt, door het nabootsen van creativiteit en communicatie.

Ik ben me er terdege van bewust – en ik ben er blij om – dat er een debat gaande is rond deze AI-systemen, die de markt de afgelopen jaren hebben overspoeld, en die afkomstig zijn van nieuwkomers als OpenAI tot gevestigde namen als Apple. Veel intellectuelen sluiten zich aan bij het standpunt van Emily Bender en haar coauteurs dat deze systemen niets meer zijn dan ‘stochastische papegaaien’: statistische machines die het volgende meest waarschijnlijke woord, geluid of beeld extrapoleren. Een gesprek tussen mens en AI, zo herhalen zij, is slechts een schijnbeeld dat wordt gecreëerd door interface-systemen, infrastructuur op planetaire schaal en het eigenbelang van een handjevol buitengewoon rijke individuen. Ik ben niet van plan hiertegen in te gaan.

Maar ik vraag me wel af in hoeverre dit argument effectief is. Ik vrees dat, ondanks onze inspanningen en (gerechtvaardigde) angsten en zorgen, de band tussen mens en AI steeds hechter wordt in plaats van losser. Er lijkt een vreemd jojo-effect aan het werk te zijn: enerzijds beweren we wanhopig dat deze machines niet in de buurt van onze menselijkheid kunnen komen, terwijl we anderzijds ons dagelijks leven zo herstructureren dat we onze menselijkheid niet meer kunnen uitoefenen zonder hen.

Dus wanneer de vraag wordt gesteld: “Wat blijft er menselijk in het tijdperk van interactie tussen mens en AI?”, sta ik in de eerste plaats wantrouwig tegenover de manier waarop het antwoord doorgaans wordt gestructureerd: de mens wordt losgekoppeld van AI, er worden afzonderlijke definities gegeven en vervolgens worden de grenzen tussen deze gedefinieerde categorieën versterkt, voordat de vraag naar de interactie zelf aan de orde komt. Als cultuuranalist in de eerste plaats, en mediatheoreticus in de tweede, kan ik niet anders dan hierin een herhaling zien van een veel langduriger debat, dat door de geschiedenis van het westerse denken heen steeds opnieuw is gevoerd: het behoud van het menselijk exceptionalisme. Het is de retoriek van dit debat die ik vandaag wil bekritiseren, en ik begin met wat misschien een onwaarschijnlijk uitgangspunt lijkt: de geschriften van Aristoteles over dieren.

Lees het hele essay van Nuno Atalaia bij de Jonge geesten.

Deel via: