AI en onze natuurlijke leefomgeving
Laat ik meteen vooropstellen dat ik geen klimaatwetenschapper ben. Ik onderzoek vanuit een menswetenschappelijk perspectief hoe de inzet van Artificiële Intelligentie (AI) kansen en risico’s biedt voor de samenleving. Dit onderzoeksdomein kent niettemin een milieucomponent. Experts die zich begeven op het snijvlak van klimaat en technologie tonen overtuigend hoe de huidige inzet en ontwikkeling van AI onze natuurlijke leefomgeving negatief beïnvloedt. En hoewel zowel in de private als publieke sector sterk wordt geïnvesteerd in die technologie, wordt die negatieve ecologische impact door ondernemers, beleidmakers en burgers te vaak onderschat of genegeerd.
Technologiebedrijven en overheden laten zich eerder leiden door economische groei dan maatschappelijke vooruitgang of klimaatoverwegingen. Zoals expert Fieke Jansen aangeeft in een recent artikel en rapport (die laatste in samenwerking met Michelle Thorne), is het die drift naar continue economische groei die als (voornaamste) bron van milieuschade geldt. Die groei is immers een verhaal van telkens meer: hoe meer AI, zo beweert men, hoe meer welvaart we kunnen creëren. De ontwikkeling van AI steunt enerzijds op grote hoeveelheden gegevens en anderzijds op steeds krachtigere systemen die deze data kunnen analyseren. Dat betekent dus ook dat we meer data en meer computerkracht nodig hebben; en die ongebreidelde zoektocht naar meer vraagt telkens een groter aandeel aan schaarse middelen.
Datacenters bijvoorbeeld, waar gegevens worden bewaard en verwerkt, zijn een essentieel onderdeel van onze digitale infrastructuur geworden. Hun functioneren vergt naast landelijke ruimte, enorme hoeveelheden stroom (als energie), water (voor koeling) en (zeldzame) grondstoffen (voor chips en batterijen). Het zijn lasten die niet louter gedragen worden door de directe omgeving waarin deze centra worden geplaatst. Ook elders grijpt de behoefte aan meer technologie hevig in op de omgeving. In Servië wil men lithium – een grondstof onder meer noodzakelijk voor het produceren van batterijen voor elektrische auto’s – gaan ontginnen. Dergelijke mijnen worden ook door de EU beschouwd als cruciaal voor de groene transitie. Helaas dreigt deze industrie ook het grondwater van miljoenen Serven te vervuilen. In Congo, waar de grondstof kobalt rijk aanwezig is, lijden het regenwoud, biodiversiteit en de lokale bevolking onder de vervuilende, en tevens mensonterende, mijnbouw. Klimaatbeleid is bijgevolg ook een vraagstuk aangaande rechtvaardigheid: wie draagt de kosten voor innovatie en zogenaamde duurzaamheid? En dat zijn discussies die niet gevoerd kunnen worden zonder de input en medewerking van de personen en gemeenschappen die dreigen geraakt te worden.
Het wordt tijd dat bedrijven en beleidsmakers niet alleen rekening houden met het klimaat, maar ook expliciet verantwoording afleggen voor de invloed die hun keuzes hebben op andermans leefwereld en gezondheid, en waarin ook betrokken personen en gemeenschappen een stem krijgen in het debat. Als consument probeer ik alvast na te denken hoe ik mijn gebruik van die schadelijke technologie kan beperken.