De natuur als infrastructuur

Met de opwarming van de aarde moeten we onze steden en regio’s anders inrichten. Waterbeheerders en planologen gebruiken daarvoor vaak de natuur als inspiratie voor klimaatoplossingen. Dit is te zien in nieuwe credo’s als ‘building with nature’ en ‘nature-based solutions’ waarin natuurlijke processen worden teruggebracht. Voorbeelden zijn door heel Nederland te vinden: van de Zandmotor aan de kust of de nieuwe eilandengroep Marker Wadden tot een groen dak of geveltuin in de stad. De natuur wordt dus steeds vaker infrastructuur.

Maar wat betekent dat, als natuur infrastructuur wordt? Infrastructuur bestaat traditioneel uit fysieke, ‘dode’ elementen zoals rioleringsbuizen en kabels. Met het inzetten van de natuur wordt infrastructuur een levendige entiteit die een eigen dynamiek kent. Waar ‘harde’ infrastructuur na een aantal decennia technisch afgeschreven is, is de natuur regeneratief. Nieuwe onderzoeksrichtingen stellen bij deze ontwikkeling interessante, prikkelende vragen. Welke agency heeft de natuur in het zijn van infrastructuur, welke politiek bedrijft de natuur? En welke implicaties heeft dat voor het functioneren als infrastructuur? Het vermogen om te bloeien en voort te planten kan bijvoorbeeld nooit volledig worden gecontroleerd, ondanks dat we de natuur sterk cultiveren. En mogen planten en dieren ook gewoon zichzelf zijn, in plaats van allerlei functies voor ons te vervullen?

Critici stellen daarom dat building with nature een nieuwe vorm is van de natuur ‘vermarkten’; het wordt een verhandelbaar product dat voor onze maatschappij een functie verzorgt. Veel klimaatproblematiek is hier naar terug te herleiden. De ontwikkeling naar meer op natuur geënte interventies lijkt het op het eerste oog een breuk met die werkwijze, maar blijkt in de praktijk vaak een continuering van de instrumentele relaties die we met de natuur aangaan.

Ik pleit daarom voor posthumanistisch, ecocentrisch denken; een manier van denken die de valse tegenstelling tussen natuur en cultuur loslaat en alle levende wezens nadrukkelijker een stem geeft. Klinkt dit nog te vaag, dan zijn er allerlei aansprekende voorbeelden te vinden waarmee hier al wordt geëxperimenteerd. Het Nieuwe Instituut in Rotterdam is bijvoorbeeld een ‘zoöpolis’ geworden, waar een ‘spreker voor de levenden’ is aangewezen die gevraagd en ongevraagd advies geeft vanuit het perspectief van andere soorten dan de mens. De ruimte wordt zo ingericht met meer medeogen voor andere wezens. Een ander voorbeeld is de ontwikkeling om water als rechtsentiteit te zien, waarvan juristen nu onderzoeken of dit haalbaar en bruikbaar is.

De spannende vraag is of we, als mensheid, het loslaten van controle aandurven: planten, dieren en mensen kunnen in verschillende richtingen bewegen als we samen vorm geven aan plekken. Geven en nemen is daarbij onontbeerlijk, maar maakt wel dat we gaan samenleven met de natuur.

Deel via: