Voorbij de klimaatimpasse: verandering van onderop én bovenaf
We staan op een cruciaal moment in de geschiedenis. Terwijl CO2-emissies wereldwijd blijven stijgen en de aarde verder opwarmt, zien we de gevolgen overal om ons heen: bosbranden, droogte, overstromingen en andere extreme weersomstandigheden. Steeds meer wetenschappelijke rapporten waarschuwen dat de ruimte om de ernstigste effecten van klimaatverandering te beperken snel kleiner wordt. Massamigratie, verlies van biodiversiteit en afnemende welvaart lijken reële vooruitzichten. En ondanks veelbelovende internationale afspraken blijven nationale klimaatplannen achter bij wat nodig is. In veel landen zit het klimaatdebat volledig op slot. Dat kan somber stemmen – ook ik heb soms dat gevoel.
Maar er is ook een ander verhaal. We zien een razendsnelle technologische vooruitgang, een versnellende economische transformatie en vooral: menselijke vindingrijkheid. We bewegen naar een wereld waarin goedkope, schone energie steeds normaler wordt. De groei van zonne- en windenergie overtreft alle verwachtingen. Nederland is in een paar jaar tijd uitgegroeid van achterblijver tot wereldkampioen zonnepanelen. Tegelijk stabiliseert of daalt de vraag naar fossiele brandstoffen, zelfs in grote economieën zoals China. Zulke verandering komt steeds vaker van onderop: uit nieuwe industriële clusters, krachtige steden en lokale gemeenschappen, in het Westen én in het mondiale Zuiden.
Door de snelle beschikbaarheid van schone energie ontstaan nieuwe economische kansen en nieuwe geopolitieke verhoudingen. Hernieuwbare energie levert niet alleen elektriciteit, maar verlaagt ook kosten voor burgers en bedrijven. Dit helpt landen zoals Nigeria los te komen van dure diesel en van traditionele energie-industrieën. In Oman maakt groene waterstof de ontwikkeling van een duurzame staalindustrie mogelijk. Innovaties in batterijopslag versnellen bovendien de afbouw van gas als overgangsbrandstof en daarmee de afhankelijkheid van landen zoals Rusland.
En waar nationale overheden aarzelen – of zoals in de Verenigde Staten onder Trump zelfs proberen de groene industrie af te remmen – nemen steden het voortouw. Ze hebben weinig keuze: steden veroorzaken een groot deel van de CO2-uitstoot, maar worden ook het zwaarst getroffen door klimaatverandering, bijvoorbeeld door hitte en zeespiegelstijging. Bovendien dreigt klimaatverandering bestaande ongelijkheden verder te vergroten. Daarom investeren steden zoals Barcelona, Bogotá en Kigali in autoluwe zones, fiets- en wandelnetwerken. En steden zoals Rosario, Philadelphia en Hongkong zetten in op stedelijke landbouw, duurzame mobiliteit en energiezuinige gebouwen.
Toch rijst de vraag of verandering van onderop genoeg is om de ernstigste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Het antwoord is nee – niet zonder verandering van bovenaf. Beide bewegingen zijn essentieel. We kunnen dit niet alleen overlaten aan koplopers, lokale initiatieven of opkomende markten. Nationale overheden moeten de transitie mogelijk maken, door investeringsrisico’s te verlagen, juridische barrières weg te nemen en richting te geven aan de economieën van de toekomst.
Het doorbreken van de huidige politieke impasse vraagt om een fundamentele herbezinning op de manier waarop we politiek bedrijven. We hebben een politiek nodig die luistert naar bedrijven die wíllen verduurzamen en naar mensen wier leven verandert door de overgang naar een groene economie. Een politiek die een geloofwaardig pad biedt naar nieuwe industrieën, nieuwe banen en veerkrachtige steden en gemeenschappen.
In combinatie met technologische innovatie, economische dynamiek en menselijke creativiteit, vormt zo’n nieuwe benadering van politiek onze beste hoop om de klimaatimpasse te doorbreken – en de gevolgen van de opwarming van de aarde te beperken.