Industriële vervuiling wordt vaak gezien als een probleem dat met nieuwe regels, strengere normen of betere handhaving kan worden opgelost. Historisch onderzoek laat echter zien dat vervuiling zelden het gevolg is van één verkeerde beslissing of één falend moment. In hun recente publicatie laten Lieselot Bisschop, hoogleraar Publieke en Private Belangen, en Karin van Wingerde, hoogleraar Corporate Crime and Governance, beiden verbonden aan Erasmus School of Law, zien dat industriële vervuiling in Nederland het resultaat is van langdurige en structurele interacties tussen overheid en industrie. In hun vergelijkende case studie over Hoogovens/Tata Steel en DuPont/Chemours analyseren zij hoe vervuiling over tientallen jaren kon ontstaan, voortbestaan en uiteindelijk als ‘normaal’ werd beschouwd.

De onderzoekers leggen uit dat industriële installaties vaak decennialang actief zijn en in die periode voortdurend schadelijke stoffen uitstoten. De gevolgen daarvan worden echter niet altijd direct zichtbaar, maar stapelen zich op in lucht, water en bodem en kunnen zich pas veel later uiten in gezondheids- en milieuschade. De onderzoekers benadrukken dat dit langzame karakter het moeilijk maakt om tijdig en effectief in te grijpen: “Vervuiling vindt vaak plaats binnen de grenzen van een vergunning. Daardoor ontbreekt een duidelijk breekpunt waarop kan worden ingegrepen. Wat ooit acceptabel werd geacht, groeit uit tot de norm voor later beleid. Zo blijven oude beslissingen het reguleringssysteem sturen en raakt echte verandering steeds verder uit beeld.”

Kennisasymmetrie, regulatory co-design, economische afhankelijkheid, fragmentatie in toezicht en handhaving, en juridificering zijn terugkerende patronen daarbij.

Lees het hele stuk op de site van de EUR.

Hoogovens
Luchtverontreiniging bij Hoogovens
Deel via: