We hebben verhalen nodig
Het vertellen van verhalen vormt een onmisbaar onderdeel van elke cultuur: middels verhalen zoeken we niet alleen naar bevestiging en betekenis van de wereld waarin we leven, zij laten ons ook reflecteren op die wereld en hebben vervolgens de potentie om nieuwe zienswijzen te ontwikkelen. Nu de wereld om ons heen sneller dan ooit verandert, dringt de vraag naar hoe wij mensen ons verhouden tot die wereld zich steeds evidenter op. Het is dan ook niet vreemd dat in de hedendaagse literatuur verhalen waarin de versnelde opwarming van de aarde een prominente rol speelt, in opmars zijn.
Verhalen over de relatie tussen de mens en de natuur, en verhalen waarin landschappen, natuur of dieren een belangrijke rol spelen, zijn niet nieuw. Wel zien we sinds de jaren ’60 van de twintigste eeuw met name in de Angelsaksische literatuur een opkomst van verhalen waarin (door de mens veroorzaakte) natuur- en klimaatrampen voorkomen. In het Nederlandse taalgebied werd het genre klimaatfictie veel recenter (met name vanaf 2017) op de kaart gezet door onder andere Lieke Marsman, Jan-Willem Anker, Eva Meijer en Adriaan van Dis, en wordt er met een nieuwe blik gekeken naar de rol en plaats van de mens in de wereld.
Schrijven over klimaatverandering is niet eenvoudig. Hoe verbeeld je een crisis die zo enorm is in omvang van tijd en ruimte? Een crisis waarvan de oorzaken en gevolgen compleet verweven zijn met allerlei aspecten van het leven? Een crisis die tegelijkertijd op momenten zich onzichtbaar lijkt te ontwikkelen (al worden die momenten steeds schaarser)? Die uitdaging is een thema waarover Amitav Ghosh een invloedrijke essaybundel schreef: The great derangement. Climate change and the unthinkable (2016). Ook diverse Nederlandstalige schrijvers hebben de moeilijkheid van het schrijven over klimaatverandering als thema in hun boeken verwerkt, of hebben zich hierover in interviews of essays uitgesproken. Schrijvers kunnen om klimaatverandering te verbeelden (of zelfs een actieve rol te laten spelen in hun verhaal) gebruik van verschillende narratieve technieken. Bijvoorbeeld door agency (handelingsmogelijkheid) toe te kennen aan dieren, bomen, bergen of de zee, of door verhaallijnen uit verschillende tijden en plaatsen met elkaar te verknopen waarmee inzichtelijk gemaakt wordt hoe het verleden doorwerkt in het heden, dat op zijn beurt weer doorwerkt op de toekomst (denk aan de doorwerking van het kolonialisme). Door te spelen met perspectief kan ons antropocentrische of westerse wereldbeeld bekritiseerd worden. Verhalen maken daarmee de complexiteit van de crisis inzichtelijk en laten de lezer reflecteren op deze inzichten en verbanden en de eigen plek daarin. Tegelijk kunnen verhalen de lezer erkenning voor gevoelens van verdriet en mogelijk troost bieden.
Schrijvers houden zich ook bezig met de vraag over de mogelijke effecten van literatuur in relatie tot de klimaatcrisis: wat kunnen zij teweegbrengen met hun schrijven? Het daadwerkelijk meten van effecten van het lezen van klimaatliteratuur op bijvoorbeeld overtuigingen of actiebereidheid van lezers is iets waar empirische ecocritici zich mee bezig houden. Bevindingen tot nu toe lijken bescheiden positief. Belangrijk vind ik vooral de rol die literatuur kan vervullen in de gesprekken die we hebben over klimaatverandering. ‘We moeten het erover hebben’, is de boodschap die zowel klimaatwetenschapper Katherine Hayhoe als de hierboven genoemde romancier en essayist Amitav Ghosh uitdragen. We weten wat er aan de hand is, we weten dat er actie ondernomen moet worden maar een doeltreffend klimaatbeleid blijft uit. Als individu kun je je behoorlijk machteloos en moedeloos voelen. Dat klimaatverandering een thema is waarover we desondanks met elkaar in gesprek blijven, is van levensbelang: literatuur biedt daar handvatten voor. Alleen zo kunnen we ons blijven committeren aan het werken aan oplossingen.