Kleine zwanen trekken steeds minder ver naar het zuidwesten in de winter. Gemiddeld overwinteren ze 118 km dichter bij hun broedgebied per 1°C winteropwarming. In zijn promotieonderzoek laat Hans Linssen van de UvA en het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) zien dat deze aanpassing een combinatie is van twee processen. De vogels reageren op de temperatuur en schuiven minder ver op als het in de herfst warm blijft. En jonge vogels hebben minder de neiging dan hun ouders om terug te keren naar waar ze een eerdere winter zijn geweest en kunnen verder in het noordoosten blijven hangen.

Veel kleine zwanen zijn uitgerust met kleurringen, die worden afgelezen door vrijwilligers. Uit deze ringterugmeldingen kan gemakkelijk het beeld ontstaan dat kleine zwanen heel plaatstrouw zijn. Kleine zwaan 280E is bijvoorbeeld deze winter voor de 10e winter op rij uit de Vughtse Gement gemeld. Dit roept de vraag op hoe de populatie dan kan opschuiven. Volgens de geldende theorie komt dit doordat jonge vogels nieuwe plekken bezoeken, waar ze vervolgens naar blijven terugkeren. Maar hoe werkt dit bij vogels die in familieverband trekken, zoals ganzen en zwanen?

Lees het hele verhaal op de site van de UvA.

Kleine zwanen
Groep kleine zwanen (foto: UvA/Rolf Veenhuizen)
Deel via: