Het stimuleren van milieudemocratie

De vraag zelf onthult onze hachelijke situatie: we vragen ons nog steeds af ‘hoe we moeten omgaan’ met een crisis die we al tientallen jaren begrijpen. De kloof tussen kennis en actie is niet alleen een tekortkoming van politieke wil, maar weerspiegelt ook diepere spanningen tussen hoe democratieën functioneren en hoe ecologische systemen reageren op verstoringen.

Als historicus die zich bezighoudt met energiebeleid en milieubeheer, heb ik gezien hoe moderne democratieën consequent voorrang geven aan economische stabiliteit op korte termijn boven milieuzekerheid op lange termijn. Dat is geen toeval. Democratische instellingen zijn ontstaan om conflicten tussen menselijke belangen tijdens verkiezingscycli te bemiddelen, en niet om de niet-menselijke natuur of toekomstige generaties, die niet kunnen stemmen, te vertegenwoordigen. Wanneer de kans dat Nederland zijn klimaatdoelstellingen voor 2030 haalt onder de 5% daalt en de Verenigde Staten zich terugtrekken uit het Akkoord van Parijs, zijn we niet alleen getuige van beleidsfouten, maar ook van een structurele mismatch tussen onze bestuurssystemen en de crisis die ze moeten aanpakken.

Toch zou het loslaten van die democratische principes even rampzalig zijn. De geschiedenis leert dat autoritaire regimes, ondanks hun vermogen om snel te handelen, vaak slechtere milieuresultaten opleveren, omdat ze niet publiekelijk verantwoording hoeven af te leggen. De uitdaging is niet democratie versus klimaatactie, maar hoe we op democratische wijze de radicale transformaties mogelijk kunnen maken die duurzaamheid vereist.

Dit vereist dat we drie ongemakkelijke waarheden tegelijkertijd onder ogen zien. Ten eerste zullen incrementele beleidsaanpassingen niet volstaan; we hebben structurele veranderingen nodig in de energie-infrastructuur, consumptiepatronen en economische modellen. Ten tweede kunnen deze transformaties niet van bovenaf worden opgelegd zonder brede publieke participatie en instemming – milieuautoritarisme leidt tot weerstand en kwetsbaarheid. Ten derde kost democratisch overleg tijd, die we steeds minder hebben.

Een deel van mijn werk bestaat uit het ontwikkelen van trans-Atlantische onderwijsprogramma’s over milieubeheer, waarbij ik onderzoek hoe gemeenschappen van Louisiana tot Zeeland reageren op ecologische crises en existentiële bedreigingen door middel van burgerparticipatie en veerkrachtige aanpassing. De weg vooruit vereist een heroverweging van de milieudemocratie zelf: het versterken van de procedurele rechten van burgers op milieu-informatie, participatie en rechtvaardigheid; het creëren van instellingen die bindende langetermijnverplichtingen kunnen aangaan die verder gaan dan verkiezingscycli; en het erkennen dat ‘het milieu’ niet losstaat van de menselijke samenleving, maar juist de basis ervan vormt.

Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk omgaan met verliezen. Sommige gevolgen zijn nu onvermijdelijk; aanpassing en mitigatie moeten hand in hand gaan. Dit vereist het opbouwen van veerkracht in kwetsbare gemeenschappen met behoud van democratische legitimiteit – geen geringe opgave wanneer de klimaatlasten ongelijk verdeeld zijn.

Misschien is de echte vraag niet hoe we met de opwarming van de aarde moeten omgaan, maar of we politieke vormen kunnen ontwikkelen die in staat zijn tot de langdurige collectieve actie die zowel de democratie als de grenzen van onze planeet vereisen. Het antwoord blijft onzeker, maar het blijft essentieel democratisch werk om deze vraag kritisch, dringend en publiekelijk te blijven stellen.

Deel via: