Dit artikel geeft een overzicht van de historische ontwikkeling van het Chinese utopisme. Terwijl het utopisme in vroegere wetenschappelijke literatuur vaak werd afgedaan als een uitsluitend westerse traditie, heeft later onderzoek aangetoond dat discussies over de totstandkoming van een ideale samenleving een centrale rol hebben gespeeld in de Chinese intellectuele, religieuze en literaire geschiedenis. Vanuit een historisch perspectief identificeert deze studie vier belangrijke keerpunten in de ontwikkeling van het Chinese utopisme: (1) de opkomst van het klassieke filosofische utopisme tijdens de Periode van de Strijdende Staten en de vroege keizerlijke periode; (2) de opkomst van het millenaristische utopisme in de taoïstische en boeddhistische tradities; (3) de dynamische ontmoeting tussen de Chinese traditie en westerse modellen van anarchistische, socialistische en radicale utopieën in de late Qing-, Republikeinse en vroege communistische periodes; en (4) de diverse utopische uitingen van het post-Mao-hervormingstijdperk, waaronder dystopische literatuur, ecodorpen, herleefde confucianistische projecten en nieuwe kosmopolitische theorieën over de wereldorde. Het artikel stelt een typologie voor van ‘grote’ en ‘kleine’ utopieën, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen grootschalige, transformatieve projecten en kleinere, lokale experimenten.

  1. Inleiding

Het idee van een utopie, een gedetailleerde beschrijving van een perfecte samenleving, heeft filosofen, religieuze denkers, schrijvers en kunstenaars door de geschiedenis heen gefascineerd. De term, die door Thomas More (1478–1535) is ontleend aan het Oudgrieks, duidt zowel op een goede plaats (εὖτόπος) als op een niet-bestaande plaats (οὐτόπος). Mores roman Utopia uit 1516 bevat een uitgebreide blauwdruk van de instellingen, waarden en gewoonten van een ideale samenleving op een afgelegen eiland. Deze roman inspireerde sociale en politieke theorieën, een literair genre en zelfs pogingen in de echte wereld om een perfecte gemeenschap op te bouwen.

Het interdisciplinaire academische vakgebied van de utopische studies ontstond eind jaren zestig, en in 1975 werd de Society for Utopian Studies opgericht. Hoewel beschrijvingen van ideale samenlevingen in de meeste culturen te vinden zijn, behandelden veel vroege werken op het gebied van de utopische studies het utopisme als een westers fenomeen. Het werk Utopian Thought in The Western World van Frank en Fritzie Manuel uit 1979 zette de toon door een ontwikkeling te schetsen die begint bij Plato’s Republiek en zich voortzet via de vroegmoderne geschriften van More, Bacon en Campanella, de socialistische utopieën van Saint-Simon, Fourier en Marx omvat, en culmineert in de speculatieve literaire utopieën van Bellamy, Morris en H.G. Wells (Manuel en Manuel 1979). Sommige wetenschappers, met name Krishan Kumar, hebben zelfs betoogd dat het utopisme het intellectuele product is van het Europa van de Verlichting, met name de poging om een seculier alternatief te creëren voor het joods-christelijke ideaal van de Hof van Eden. Hoewel andere culturen wellicht mythische verhalen hebben over een vervlogen Gouden Eeuw of beschrijvingen van hemelse paradijzen en duizendjarige koninkrijken, stelt Kumar dat zij nooit een intellectuele traditie van utopisme hebben voortgebracht (Kumar 1987).

Vroeg onderzoek naar het Chinese utopisme werd gedreven door de wens om de bewering te weerleggen dat utopisme een puur westerse uitvinding is. Wetenschappers toonden aan dat, hoewel China nooit een eigen versie van het westerse utopisme heeft ontwikkeld, verhandelingen over de totstandkoming van een ideale samenleving een centrale rol speelden in de intellectuele, religieuze en literaire geschiedenis van het land. Jean Chesneaux stelt dat de populariteit van het westerse socialistische utopisme in China in de twintigste eeuw kan worden verklaard door het bestaan van archaïsche, pre-socialistische ‘verwarde tradities van rechtvaardigheid en gelijkheid’ (Chesneaux 1968, 77). Forest Lin beschouwt het Chinese utopisme eveneens als ‘naïef en primitief’ in vergelijking met de meer genuanceerde en complexe westerse werken, en stelt dat de fascinatie voor een Gouden Eeuw uit het verleden, zoals die door Chinese denkers tot uiting werd gebracht, hun utopische verbeeldingskracht beperkte (Lin 1980). Evenzo onderschrijft Koon-ki Ho de stelling dat China nooit een traditie van ‘literaire geplande utopieën’ heeft gekend zoals die van Plato en More, maar dat schrijvers niettemin een verscheidenheid aan escapistische en satirische fictiewerken hebben voortgebracht, evenals een bloeiend corpus van filosofische en religieuze, utopische verhandelingen die een samenleving beschrijven die wordt gekenmerkt door goed bestuur, harmonie en volmaakte orde (Ho 1983–1986).

Naarmate het academische veld van de utopische studies zich verder ontwikkelde, maakte deze polemische benadering plaats voor meer genuanceerde analyses die beschrijvingen van ideale samenlevingen in hun specifieke culturele context plaatsen. Toonaangevende wetenschappers op het gebied van het westerse utopisme, zoals Lyman Tower Sargent, breidden de definitie van utopisme uit tot een universele vorm van ‘sociaal dromen’ en erkenden het bestaan van niet-westerse utopische tradities, met name in China (Sargent 1994). Aangemoedigd door deze verschuiving begonnen wetenschappers zoals Zhang Longxi, Douwe Fokkema en Jacquline Dutton het belang te benadrukken van het overwinnen van de eurocentrische vooringenomenheid binnen het vakgebied. Zij stellen dat de studie van het Chinese utopisme als een alternatieve vorm van utopisch denken essentieel is voor een dieper begrip van de universele menselijke neiging om zich een betere toekomst voor te stellen (L. Zhang 2002; Fokkema 2011; Dutton 2010). Sommige wetenschappers, zoals de marxistische filosoof Ronald Boer, gaan zelfs zo ver te beweren dat de Chinese utopische traditie superieur is aan die van het Westen, aangezien zij zich veel eerder heeft kunnen losmaken van de religieuze ondertonen van het westerse utopisme en daardoor veel eerder concrete visies op een ideale samenleving heeft kunnen ontwikkelen (Boer 2023).

De afgelopen jaren is er een sterke toename geweest van studies gewijd aan de geschiedenis van het Chinese utopisme. Dit artikel biedt een overzicht en analyse van de meest invloedrijke werken op dit gebied. Vanuit een historische benadering worden vier belangrijke keerpunten in de ontwikkeling van het Chinese utopische denken geïdentificeerd: (1) de opkomst van het klassieke filosofische utopisme tijdens de vroege en middeleeuwse periodes; (2) de rol van het millenaristische utopisme bij de opkomst en consolidatie van het taoïsme en het boeddhisme; (3) de interactie tussen westerse utopische ideeën en inheemse tradities tijdens het late Qing-tijdperk, de Republikeinse periode en het vroege communistische tijdperk; en (4) de opkomst van nieuwe literaire, religieuze, politieke en ecologische uitingen van utopisme in het post-Mao-hervormingstijdperk. Naast een overzicht van de stand van zaken op dit gebied beoogt dit artikel ook een theoretische bijdrage te leveren door de klassieke indeling van Chinese utopieën volgens de sektarische scheidslijnen van het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme te vervangen door een nieuw kader dat deze utopieën indeelt in twee archetypen: grote en kleine utopieën.

  1. Klassiek utopisme

De Periode van de Strijdende Staten (453–211 v.Chr.) wordt vaak beschreven als de Gouden Eeuw van het klassieke Chinese filosofische utopisme. Aangespoord door het verval van het gecentraliseerde Zhou-regime en de toenemende armoede en wreedheid in het dagelijks leven, zagen vroege Chinese denkers het als hun missie om mogelijke oplossingen aan te dragen voor deze toestand van politieke chaos. Deze periode stond bekend als het tijdperk van de ‘Honderd Denkscholen’, en de utopische visies die in deze periode tot stand kwamen, worden vaak ingedeeld op basis van hun filosofische stroming.

Scott Lowe analyseert het Boek van Mozi en stelt dat dit de theoretische grondslagen en praktische methoden biedt die nodig zijn voor de totstandkoming van een religieuze utopische samenleving (Lowe 1992). A.C. Graham reconstrueert de filosofische grondslagen van de boerenutopieën die werden voorgesteld door leden van de ‘school van de landbouwers’, die het gezag van de staat verwierpen en in plaats daarvan opriepen tot de oprichting van kleine, onafhankelijke en zelfvoorzienende agrarische gemeenschappen (Graham 1979). Aan de andere kant van het filosofische spectrum pleitten legalistische denkers uit de staat Qin voor een reeks politieke en juridische hervormingen die gericht waren op het tot stand brengen van een perfecte, misdaadvrije, utopische samenleving op veel grotere schaal. Zoals Liang en Cai en Yuri Pines overtuigend aantonen, bleef de legalistische utopische visie ook na de eenwording van China invloedrijk. Pines benadrukt de messiaanse elementen die door de Eerste Keizer van Qin werden bevorderd in zijn pogingen om een ‘entopia’ (een utopie in het hier en nu) op te bouwen na de stichting van de Qin-dynastie (Pines 2014). Cai daarentegen toont de donkere kant van het utopische denken door aan te tonen hoe het legalistische streven naar perfectie leidde tot ongunstige en onverwachte gevolgen die het bestuurlijke en juridische systeem van het rijk ondermijnden (Cai 2026).

Afgezien van deze voorbeelden verdelen de meeste algemene overzichten het klassieke Chinese utopisme in twee belangrijke archetypen: de confucianistische ideale staat, gekenmerkt door een strikte, op hiërarchie gebaseerde sociaal-politieke orde en het naleven van een vaste reeks ethische en rituele gedragsrichtlijnen; en de taoïstische tegenhanger daarvan, die wordt gekenmerkt door zijn kleinschaligheid, eenvoudige levensstijl en het relatieve gebrek aan overheidscontrole (Bauer 1976; Fokkema 2011; Hua 2009).

Bewijs voor de ‘utopische neigingen’ van de confucianistische filosofie is te vinden in de Confucianistische Analecten, waarin Confucius zijn bewondering uitspreekt voor de Gouden Eeuw uit het verleden en waarin hij zijn overtuiging toont dat het model van een volmaakte sociaal-politieke orde in het heden opnieuw kan worden ingevoerd (L. Zhang 2002, 10). Een ander vaak aangehaald voorbeeld van confucianistisch utopisme is het ‘bron-veld’-systeem dat door Mencius wordt bepleit, een infrastructuurmodel dat is ontworpen om te zorgen voor een rechtvaardige verdeling van goederen tussen het volk en de heerser (Bauer 1976, 24). De meeste wetenschappers beschouwen het hoofdstuk ‘De evolutie van het ritueel’ (Liyun) uit de „Optekeningen over de Riten“ (Liji) als de locus classicus van het confucianistische utopisme (Callahan 2003). Het verhaal begint met een beschrijving van de utopie van de Grote Eenheid (datong) uit de verre oudheid, een ideale samenleving die gekenmerkt werd door economische welvaart, vrede en goed bestuur. Dit maakt uiteindelijk plaats voor het tijdperk van Bescheiden Welvaart (xiaokang), een ander type utopische samenleving bestuurd door wijze heersers die een bestuurssysteem, gedragsnormen en rituelen creëerden om orde en harmonie te handhaven.

Het bestaan van twee verschillende utopische modellen in de ‘Optekeningen over de Riten’ heeft lezers door de geschiedenis heen voor een raadsel gesteld. Sommige wetenschappers stellen dat de datong-samenleving sterk lijkt op de utopische idealen van het taoïsme of het mohisme en plaatsen vraagtekens bij de opname ervan in een confucianistische tekst. Sommigen beweren zelfs dat het daar met opzet is ingevoegd (Tyng 1934; Pokora 1961). Anderen, zoals Ching en Dessein, stellen dat de tekst een pragmatisch doel voor ogen heeft. Hoewel de ‘Optekeningen over de Riten’ gelooft in de superioriteit van de datong-samenleving, erkent het namelijk ook dat deze samenleving wellicht onherroepelijk verloren is gegaan en daarom moet worden vervangen door een bescheidener utopie: de xiaokang-samenleving (Ching 1972; Dessein 2017). Ing biedt de meest overtuigende interpretatie van deze passage en stelt dat utopie een kwestie van perspectief is. Met andere woorden: hoewel de datong voor zijn tijd als perfect werd beschouwd, vereisen de huidige historische omstandigheden dat een ideale samenleving gebaseerd is op de principes van xiaokang (Ing 2019). Het verlangen om de perfecte samenleving van een vervlogen Gouden Eeuw te herstellen bleef invloedrijk onder latere hervormers, die vaak putten uit de ‘Optekeningen over de Riten’ en andere klassieke confucianistische teksten in hun pogingen om een ingrijpende herstructurering van de samenleving en haar instellingen te bevorderen (Helman 1988). Anderen, zoals de middeleeuwse denker Ge Hong, verwierpen de idealisering van het verleden en stelden dat een utopie alleen kan worden bereikt door vooruitgang, ontwikkeling en aanpassing aan verandering (Knapp 2025).

Veel wetenschappers beschouwen hoofdstuk 80 van het Boek van de Weg en de Kracht (Daodejing), dat traditioneel aan Lao Zi wordt toegeschreven, als een taoïstische utopie. Dit hoofdstuk biedt praktische adviezen voor de heerser over het opzetten van kleine, zelfvoorzienende agrarische gemeenschappen die met minimaal staatsopzicht bestuurd zouden kunnen worden. Hoewel deze beschrijving niet met een utopisch doel voor ogen is opgesteld, vertoont zij voldoende gelijkenis met westerse voorstellingen van een ideale samenleving om te worden geprezen als de typische ‘taoïstische utopie’. Terwijl sommigen haar bestempelen als ‘escapistisch’ (Fokkema 2011, 179), stellen anderen dat zij een oprecht geloof weerspiegelt dat een ideale toekomst haalbaar is door een herstel van het verleden (Bender 1990). Gezien de kritiek op paternalistische overheidsinterventie is deze passage ook geïnterpreteerd als anarchistisch, individualistisch en zelfs libertarisch (Rapp 2012; E. Y. Zhang 2019; Coutinho 2013). Dominic Steavu daarentegen vertegenwoordigt een andere benadering door het gebruik van dergelijke westerse categorieën ter beschrijving van het taoïstische utopisme af te wijzen. Steavu baseert zich op de Daodejing, evenals op latere teksten zoals de Zhuangzi, de Liezi en de Wunengzi, en gebruikt het concept van ‘degrowth’ (of ‘decivilisatie’) als gemeenschappelijk thema. Volgens dit model heeft de sociale en culturele evolutie van de mens ons vervreemd van de natuur. Om deze kloof te dichten, moeten we terugkeren naar een eenvoudigere, quasi-oorspronkelijke levenswijze. Dit kan alleen worden bereikt door een geleidelijke overgang van een conventionele, door de staat geleide samenleving naar kleinschalige collectivistische gemeenschappen (Steavu 2014).

Het ideaal van een kleine, zelfvoorzienende gemeenschap komt ook voor in ‘Peach Blossom Spring’. Dit verhaal, geschreven door Tao Yuanming in 421 n.Chr., beschrijft een vredige agrarische gemeenschap die zich in een grote grot bevindt, afgezonderd van de buitenwereld. Als een van de meest geprezen utopische literaire verhalen van China is de uitdrukking ‘Peach Blossom Spring’ synoniem geworden voor het begrip van een ideale samenleving, en dient het als een equivalent van het woord ‘utopie’ in het Westen (Ho 1983–1986, 29). Hoewel sommige wetenschappers ‘Peach Blossom Spring’ aanprijzen als de typisch Chinese utopie vanwege de opvallende gelijkenis met oude Grieks-Romeinse verhalen over de Gouden Eeuw (Engels 2021) en de structurele overeenkomsten met More’s Eiland van Utopia en Francis Bacons New Atlantis als ‘een plek buiten ruimte en tijd’, verwerpen anderen dergelijke vergelijkingen en stellen zij dat het verhaal in feite een anti-utopische agenda bevordert door de onmogelijkheid aan te tonen om utopia in de echte wereld te verwezenlijken (Chiang 2009). Hoewel de utopie van ‘Peach Blossom Spring’ verstoken is van elk bovennatuurlijk element (L. Zhang 2002), heeft zij aanleiding gegeven tot een verscheidenheid aan religieuze interpretaties, waaronder talrijke premoderne verhalen waarin paradijselijke grottenhemelen worden beschreven die bewoond worden door onsterfelijken (W. Li 2024) en romans zoals ‘Flowers in the Mirror’ (Fokkema 2011).

3. Millenaristisch utopisme

Het ideaal van de harmonieuze samenleving en het alternatief daarvoor, de kleine en zelfvoorzienende agrarische gemeenschap, werden de twee paradigmatische modellen van het klassieke Chinese utopisme. Tegen de middeleeuwen leidde de opkomst van de twee georganiseerde religieuze tradities in China, het taoïsme en het boeddhisme, tot een vorm van religieus utopisme met een nieuw model: de Grote Vrede (taiping). De sociaal-politieke chaos die volgde op de ondergang van de Han-dynastie inspireerde een millenaristische retoriek over een naderende Apocalyps, gevolgd door de vestiging van een radicaal egalitaire utopische samenleving. Deze terminologie, verspreid door de pas opgerichte taoïstische kerk, werd al snel overgenomen door hun boeddhistische rivalen, die hun eigen eschatologische en utopische verhalen propageerden om potentiële aanhangers aan te trekken (Ownby 1999). Het verlangen om een ‘hemel op aarde’ te vestigen, werd in de daaropvolgende eeuwen het kenmerk van het Chinese millennium-utopisme (Seiwert 2003).

Het geloof in de naderende komst van een nieuw utopisch tijdperk van Grote Vrede ontstond voor het eerst tijdens een reeks volksopstanden in de tweede eeuw n.Chr. De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat, ondanks het uiteindelijke mislukken van deze opstanden, de millenaristische retoriek die bij die opstanden werd gebruikt, een van de belangrijkste leerstellingen van het religieuze taoïsme werd. Anna Seidel noemt de taoïstische beweging ‘messiaans’ vanwege het geloof in een goddelijke figuur, bekend als Li Hong, die de gelovigen zal redden uit hun huidige toestand van lijden en het tijdperk van de Grote Vrede zal inluiden (Seidel 1984). Een andere versie van deze millennium-utopische visie is te vinden in de Geschrift over de Grote Vrede (Taipingjing), dat volgens Jens Peterson een millenniumgericht maar ‘niet-messiaans’ alternatief vormt voor het mainstream taoïsme (Peterson 1990). Barbara Hendrischke interpreteert het geschrift als een pleidooi voor een visie van een op handen zijnde en onvermijdelijke Apocalyps, veroorzaakt door de opgestapelde zonden van de mensheid. In tegenstelling tot haar messiaanse tegenhanger legt de Geschrift over de Grote Vrede de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan bij de mensheid, die de taak krijgt om een radicaal egalitaire en mobiele utopische samenleving op te bouwen die gericht is op morele en spirituele ontwikkeling (Hendrischke 1992). Millenaristische utopische terminologie speelde ook een belangrijke rol bij de verspreiding van het boeddhisme in China. Gezien de doeltreffendheid ervan als bekeringstactiek onder de taoïsten, introduceerden boeddhistische religieuze vernieuwers visioenen van hemelse utopieën, geïmporteerd uit India, die een diepgaande invloed hadden op de Chinese utopische verbeelding (Bauer 1976). Belangrijke voorbeelden hiervan waren de Tuṣita-hemel, de verblijfplaats van Maitreya, de Boeddha van de Toekomst, en het Zuivere Land van de Boeddha Amitābha (Sukhāvatī). Seiwert en Zürcher laten zien hoe Chinese boeddhisten Maitreya, een godheid die in India geen eschatologische kenmerken had, omvormden tot een verlosser wiens verschijning in de toekomst de gelovigen van een Apocalyps zal redden door hen naar zijn utopische koninkrijk te brengen, een hemel met weelderige architectuur, vrede en een buitengewoon lange levensduur (Seiwert 2003; Zürcher 1982). Hughes en Rothschild laten zien hoe dit soort hemelse paradijzen soms werd ingezet door heersers die hun macht wilden versterken door zichzelf af te schilderen als wereldse bodhisattva’s die de mensen tijdelijke verlichting zouden bieden van de naderende Apocalyps door hen de perfecte fysieke omgeving te bieden om verlichting na te streven (Hughes 2021a, 2021b; Rothschild 2015).

Doorheen de Chinese geschiedenis werden het taoïstische utopische ideaal van de Grote Vrede en de boeddhistische verlossingscultus rond Maitreya in verband gebracht met antiregeringssentimenten. Hendrischke en Rogacz tonen aan dat de twee religieuze tradities, om erkend te worden door de staat en het ‘anti-utopische confucianistische establishment’, hun radicale utopische en millenaristische terminologie moesten afzwakken (Hendrischke 1992, 86; Rogacz 2022). In de 19e eeuw kwamen deze utopische idealen echter weer naar voren tijdens de Taiping-opstand. Onder leiding van Hong Xiuquan (1814–1864) werd de Taiping-opstand geschraagd door een religieuze leer die traditionele Chinese utopische ideeën combineerde met christelijke millenaristische terminologie, zoals het verlangen om ‘een Nieuw Jeruzalem’ te bouwen. Kuhn, Zürcher en Guo stellen dat Hong de toenemende koloniale aanwezigheid in China afschilderde als een teken van moreel verval, wat op zijn beurt een regimewisseling noodzakelijk maakte. Hongs utopische samenleving, bekend als het Hemelse Koninkrijk van Taiping, riep op tot een totale reorganisatie van de samenleving, waarbij een gecentraliseerde economie tot stand moest worden gebracht, de rijkdom rechtvaardiger moest worden verdeeld en traditionele culturele praktijken moesten worden vervangen door nieuwe gedragsnormen (Kuhn 1977; Zürcher 1988; Guo 2003).

  1. Modern utopisme

De toenemende invloed van het westerse kolonialisme in China luidde een nieuwe fase in de ontwikkeling van het Chinese utopisme in. Net als het millenaristische koninkrijk van de Taping-opstandelingen, waarin christelijke en inheemse religieuze ideeën en praktijken werden gecombineerd, werd het utopische discours in China aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw gevormd door de ontmoeting met het Westen. Het Chinese neologisme voor ‘utopia’, wutuobang, werd gebruikt door Yan Fu (1854–1912) in zijn vertalingen van Thomas Huxleys Evolution and Ethics en Adam Smiths The Wealth of Nations. Westerse utopische geschriften begonnen in de 20e eeuw in China te circuleren, waarbij een gedeeltelijke vertaling van Thomas More’s Utopia voor het eerst verscheen in 1903 (Liu 2006; Jiang 2024). De visie van More wordt ook genoemd in een briefwisseling tussen Kang Youwei (1858–1927) en Liang Qichao (1873–1929). Deze twee intellectuelen speelden een leidende rol in de Honderd Dagen-hervorming, een kortstondige poging om de Chinese keizerlijke staat in 1898 te moderniseren. Hun geschriften werden in de eerste decennia van de 20e eeuw uiterst invloedrijk. Peter Zarrow heeft deze periode omschreven als het moment van ‘piekutopisme’ in China (Zarrow 2021, 3). Na het mislukken van zijn hervormingsbeweging bracht Kang Youwei de rest van zijn leven in ballingschap door. Kangs utopisch manifest, Het Boek van de Grote Eenheid (Datongshu), werd in 1902 in India geschreven, maar pas postuum in 1935 gepubliceerd. Dit boek beschrijft een toekomstige ‘één-wereld’-utopie zonder natiestaten, legers of grenzen. Deze ideale samenleving, bestuurd door een democratisch gekozen wereldregering, zou geen welvaartsverschillen, geen privé-eigendom en geen discriminatie op basis van ras of geslacht kennen. Kangs visie, die wordt omschreven als een ‘mengeling van Chinees en westers utopisch denken’ (Fokkema 2011, 279), maakt gebruik van de confucianistische begrippen ‘Grote Eenheid’ en ‘Grote Vrede’ (L’Haridon 2023), evenals het boeddhistische millenaristische utopisme. Het werd ook geïnspireerd door Darwins evolutietheorie en de werken van socialistische utopische denkers zoals Charles Fourier en Edward Bellamy. Het resultaat is een hybride concept dat voortkomt uit een poging om een werkelijk kosmopolitische utopie voor ogen te houden (Thompson 1958; Hsiao 1975). Brusadelli en Zarrow benadrukken Kangs evolutionaire opvatting van de geschiedenis, evenals zijn overtuiging dat een ‘één-wereld’-utopie historisch bepaald en onvermijdelijk is. Zij benadrukken tevens dat, in tegenstelling tot utopische denkers die zich richten op structurele maatschappelijke verandering, Kangs utopisme de nadruk legt op individuele morele en spirituele zelftransformatie, terwijl hij pleit voor het cultiveren van de confucianistische waarde van empathie (ren) als een van de voorwaarden voor een utopische samenleving (Brusadelli 2020; Zarrow 2020).

Het trauma van het kolonialisme en de interculturele dialoog die in het begin van de 20e eeuw plaatsvond, leidden samen tot wat Peter Zarrow een ‘utopische impuls’ noemt, oftewel een radicaal streven naar een betere toekomst voor China (Zarrow 2021, 9). Op literair gebied begonnen futuristische utopische verhalen, geïnspireerd door Edward Bellamy’s Looking Backward en William Morris’ News from Nowhere, zich in grote getale te verspreiden. David Der-wei Wang en Lorenzo Andolfatto tonen aan dat het utopische genre een grote rol speelde bij het inspireren van een nieuwe politieke agenda en een nieuw nationaal ethos. Liang Qichao’s onvoltooide The Future of New China en Wu Jianren’s The New Story of the Stone, de twee meest invloedrijke utopische romans van het begin van de 20e eeuw, getuigen van een techno-optimistische visie op een welvarende toekomst waarin China eindelijk in staat is zijn westerse koloniale rivalen te overtreffen, waardoor lezers vrede kunnen vinden met de huidige situatie in China en tegelijkertijd hoop voor de toekomst krijgen (D. Wang 2020; Andolfatto 2019). ‘New Year’s Dream’, een invloedrijk kort verhaal dat in 1904 door Cai Yuanpei (1868–1940) werd gepubliceerd, schetst een utopisch toekomstbeeld, maar laat zien dat dit moet worden voorafgegaan door een radicale ontmanteling van de traditionele maatschappelijke instellingen door middel van een gewelddadige strijd (G. Li 2013).

Het anarchisme speelde een centrale rol in de utopische visies die door boeddhistische hervormers in het begin van de 20e eeuw werden uitgedragen. Geconfronteerd met de oproep om hun instellingen te moderniseren en ‘bijgelovige’ overtuigingen en rituelen uit hun religieuze leer te verwijderen, probeerden activisten zoals de monnik Taixu (1890–1947) het boeddhisme om te vormen tot een maatschappelijk geëngageerde beweging die zich richtte op concrete doelstellingen (Ritzinger 2017). Geïnspireerd door het westerse revolutionaire utopisme biedt Taixu’s essay uit 1926, ‘Over het vestigen van het Zuivere Land in het menselijke rijk’, een gedetailleerde blauwdruk van een zelfvoorzienende aardse utopie van overvloed waar boeddhistische gelovigen hun spirituele doelen kunnen nastreven. In zijn vertaling en studie van het essay laat Charles Jones zien dat Taixu’s utopie, in tegenstelling tot het middeleeuwse boeddhistische millenarisme, een door mensen gecreëerde en mensgerichte gemeenschap was die zich zowel aan seculiere als religieuze doelen wijdde (Jones 2021). Taixu’s utopische visie inspireerde andere boeddhistische denkers, zoals de filosoof Tang Dayuan (1885–1941) en de Taiwanese marxistische monnik Liu Qiuwu (1903–1934), om hun eigen plannen uit te werken voor de verwezenlijking van een radicale versie van het boeddhistische Zuivere Land op aarde (Zamorski 2019; Brons 2022).

De egalitaire, anarchistische en radicaal-utopische visies van het begin van de 20e eeuw speelden een sleutelrol bij de vorming van de filosofie van de meest invloedrijke moderne utopist van China, Mao Zedong (Guo 2003). Mao verwijst in zijn vroege toespraken en essays herhaaldelijk naar het ideaal van een datong-samenleving, waarbij hij lof uitspreekt voor de afwijzing van het gezin als eenheid en de strikte hiërarchieën van de traditionele samenleving, en voor de egalitaire economische visie ervan (Brusadelli 2020). Chi Wen-shun stelt dat deze ideeën Mao’s eerste utopische experiment – de oprichting van de ‘Volkscommunes’ – ‘sterk hebben beïnvloed’ (Chi 1992, 30). Dit project, dat was bedacht als onderdeel van de Grote Sprong Voorwaarts (1958–1960) – een campagne die tot doel had de overwegend agrarische economie van China te industrialiseren –, had als verklaard doel een nieuwe fundamentele sociale eenheid te creëren, de commune, ter vervanging van de traditionele structuren van het Chinese dorpsleven, ter voorbereiding op een ‘grote sprong’ naar een communistische utopie, niet als een ambitieus doel in een onbepaalde toekomst, maar hier en nu (MacFarquhar 1974; Meisner 1982; Lu 2007). Hoewel er meer dan 20.000 communes werden opgericht, werd het experiment uiteindelijk als een mislukking beschouwd, wat leidde tot toenemende kritiek op het leiderschap van Mao.

Als reactie hierop lanceerde Mao de Culturele Revolutie (1966–1976), een utopisch project op grote schaal dat opriep tot ingrijpende morele en spirituele veranderingen in de cultuur en tot de totstandkoming van een radicaal hervormde samenleving in de nabije toekomst. Maurice Meisner benadrukt hoe Mao zijn eigen persoonlijkheidscultus als messiaanse utopische profeet bevorderde, en toont tegelijk aan dat, in tegenstelling tot eerdere utopische visies die gericht waren op harmonie, Mao’s ‘kinetische’ ideale samenleving gekenmerkt werd door een voortdurende klassenstrijd (Meisner 1982). Knight identificeert de geleidelijke verschuiving van Mao’s vroege, optimistische, egalitaire utopie in de stijl van de ‘Grote Eenheid’ naar een pessimistische visie op de toekomst als een eindeloze cyclus van revoluties als een van de belangrijkste factoren die verantwoordelijk waren voor het uiteindelijke mislukken van de Culturele Revolutie en de ondergang van het maoïstisch utopisme (Knight 1996).

5. Hedendaags utopisme

Toen Mao’s belofte van een betere toekomst niet uitkwam, begon zich in de Chinese samenleving een gevoel van nihilisme te verspreiden, gepaard gaande met anti-utopische sentimenten (Ci 1994). Op literair gebied ontstond tijdens het Hervormingstijdperk wat David Der-wei Wang omschrijft als een ‘dystopische wending’, een tegengestelde ‘griezelige herhaling’ van de optimistische utopische fictie uit het begin van de 20e eeuw (D. Wang 2020, 65). Ho en Kinkley stellen dat het trauma van de Culturele Revolutie aanleiding gaf tot de overtuiging dat utopie fundamenteel onverenigbaar is met de menselijke natuur en dat alle utopieën voorbestemd zijn om te veranderen in dystopieën (Ho 1997; Kinkley 2015).

Dit thema speelt ook een prominente rol in de sciencefiction, een genre dat in de 21e eeuw een enorme populariteitsstijging heeft gekend. Chan Koonchungs The Fat Years en Han Songs 2066: Red Star over America bieden een duistere weergave van de visie uit het begin van de 20e eeuw op een toekomst waarin China een mondiale supermacht wordt. De droom blijkt een nachtmerrie te zijn, een ‘valse utopie’ die bedoeld is om de samenleving te onderwerpen (Featherstone 2014; D. Wang 2020). Minwei Song wijst daarentegen op de prevalentie van een ‘heterotopische’ stroming in hedendaagse Chinese sciencefictionverhalen, die wijst op een diepe ambivalentie en onzekerheid over de toekomst (Song 2023). Dit komt het best tot uiting in het werk van Liu Cixin, dat techno-utopisch optimisme en het geloof in de collectieve kracht van de mensheid verheerlijkt (Thieret 2015), maar tegelijkertijd ook een duistere visie op een apocalyptische toekomst schetst (Song 2013).

Ondanks de anti-utopische houding en dystopische thema’s in de literatuur ontstonden er in de 21e eeuw ook diverse levensgemeenschappen: praktijkexperimenten met een utopisch leven (Sargent 1994). Deze gemeenschappen, die vaak op het platteland zijn gevestigd, bieden een alternatieve levensstijl, ver weg van het hectische consumentisme van het hedendaagse stadsleven. Deze gemeenschappen vinden hun oorsprong in de Rural Reconstruction Movement en de New Village Movement van Y. C. James Yen, die in de jaren twintig van de vorige eeuw werden opgericht met als doel het dorpsleven opnieuw vorm te geven voor de moderne tijd (Zhu 2022). Ze leggen de nadruk op ecologische duurzaamheid, gemeenschapsleven en verzet tegen de waarden van de heersende samenleving. Een van de bekendste voorbeelden is de Bishan-commune, die in 2011 werd opgericht door de avant-garde-kunstenaar Ou Ning. Corlin toont aan dat de anarchistische stadskunstenaars die naar Bishan verhuisden om het dorpsleven nieuw leven in te blazen, ondanks hun inspanningen uiteindelijk in conflict kwamen met de plattelandsbevolking, en dat de lokale autoriteiten hun kortstondige utopische experiment in 2016 beëindigden (Corlin 2020).

In zijn etnografie van AnotherLand, een utopisch ecodorp dat in 2009 door kunstenaar Tang Guanhua werd opgericht, benadrukt Wang Peng het flexibele en meegaande karakter van de gemeenschap, die ontevreden stadsbewoners aantrekt door hen in staat te stellen een gemeenschappelijke agrarische levensstijl te combineren met het onafhankelijk nastreven van hun eigen interesses en carrières (P. Wang 2019). Boewe belicht Life Chanyuan (ook bekend als New Oasis for Life), een millenaristische leefgemeenschap die in 2009 in de provincie Yunnan werd opgericht. De gemeenschap, die werd bestempeld als China’s ‘eerste en enige spirituele gemeenschap voor vrije liefde’, propageerde een polyamoreuze levensstijl en het geloof in de naderende Apocalyps, wat de staat ertoe aanzette de gemeenschap aan te merken als een ‘illegale sekte’ en haar activiteiten naar het buitenland te verdrijven (Boewe 2016).

Tijdens het hervormingstijdperk beleefde ook het confucianistische utopisme een heropleving. Gedurende het grootste deel van de 20e eeuw werd het confucianisme afgedaan als een overblijfsel uit het verleden en een obstakel in het streven van China naar modernisering. De dood van Mao in 1976 zorgde voor een ommekeer in dat perspectief. In haar etnografie over de heropleving van academies in confucianistische stijl interpreteert Sandra Gilgan de intellectuele herontdekking van het confucianisme als een ‘lokaal gegronde utopische beweging’ die streeft naar het creëren van een concrete ruimtelijke praktijk gericht op het opbouwen van een betere toekomst, geïnspireerd door confucianistische waarden (Gilgan 2022). Tavor beschrijft een project dat werd gepromoot door de filosoof Zhang Xianglong (1949–2022) om ‘Speciale Districten voor Confucianistische Cultuur’ op te richten: kleinschalige, duurzame utopische gemeenschappen op het platteland, bedoeld om het uitsterven van het confucianisme te voorkomen door de traditionele levenswijze ervan in stand te houden (Tavor 2024).

Naast bescheiden grassroots-initiatieven leidde de opkomst van Xi Jinping in 2012 tot een hernieuwde belangstelling voor grootschalige utopische theorieën. De opvolgers van Mao putten uit het idee van het ‘bescheiden welvaart’-utopisme, bedoeld om de Chinese samenleving te helpen herstellen van de wonden van de Culturele Revolutie. Het tijdperk van Xi stond in het teken van de heropleving van ambitieuzere plannen om een nieuwe wereldorde te vestigen waarin China centraal staat (Smith 2019). Dit leidde tot een hernieuwde belangstelling voor Kang Youwei’s visie van een ‘één-wereld-utopie’. De meest prominente vertegenwoordiger van deze visie is Zhao Tingyang, die put uit traditionele Chinese utopische concepten zoals de Grote Eenheid en Alles onder de Hemel (tianxia) om een visie van ‘patriottisch kosmopolitisme’ te bepleiten – een utopische mondiale samenleving waarin traditionele confucianistische waarden centraal staan (Callahan 2013; Zhao 2021).

  1. Conclusie

In de 20e eeuw moesten sinologen de heersende aanname dat utopisme een uniek westers fenomeen is, ter discussie stellen door de grote verscheidenheid aan Chinese utopieën door de geschiedenis heen te belichten en deze te vergelijken en af te zetten tegen hun westerse tegenhangers. Nu er onder wetenschappers consensus is bereikt over de universaliteit van het utopisch denken, richt het hedendaagse onderzoek zich op het ontwikkelen van een nieuw paradigma voor het classificeren en begrijpen van het Chinese utopisme als historisch fenomeen.

De Chinese intellectuele en religieuze geschiedenis werd grotendeels gedomineerd door een kader van ‘denkrichtingen’ of ‘tradities’, zoals het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme. Recent wetenschappelijk onderzoek naar het vroege Chinese denken benadrukt echter de beperkingen van deze heuristische indeling en de anachronistische vooroordelen die hierdoor in stand worden gehouden (Pines 2009). Op het gebied van de Chinese religies hebben wetenschappers hun toevlucht genomen tot het gebruik van neologismen zoals ‘boeddho-taoïsme’ om de vermenging en wederzijdse beïnvloeding tussen tradities te benadrukken en de doorlaatbaarheid en flexibiliteit van de religieuze identiteit in China te onderstrepen (Mollier 2009). Deze kritische benadering zou ook moeten worden toegepast op de studie van het Chinese utopisme. Hoewel de indeling van ideale samenlevingen in ‘confucianistisch’, ‘taoïstisch’ of ‘boeddhistisch’ blijft bestaan, laat dit artikel zien dat gemeenschappelijke termen, ideeën en gezaghebbende blauwdrukken van de utopie, zoals de Grote Eenheid of de Grote Vrede, consequent zijn gebruikt door denkers en activisten met zeer uiteenlopende politieke en sociale agenda’s. Door de Chinese geschiedenis heen hebben geleerden, religieuze vernieuwers en kunstenaars vaak een brede, niet-sektarische opleiding genoten. Bij het beschrijven van hun perfecte samenlevingen putten zij uit een gemeenschappelijke bron van ideeën die de door traditionele labels gesuggereerde scheidslijnen overstijgen en ter discussie stellen.

Het vakgebied zou dan ook baat hebben bij alternatieve theoretische modellen en classificatiesystemen. Een voorbeeld van zo’n kader is het onderscheid dat Jay Winter maakt tussen ‘grote’ en ‘kleine’ utopieën. De eerste categorie verwijst naar grootschalige pogingen om China, of zelfs de hele wereld, te veranderen door middel van radicale sociale ingrepen. Kleine utopieën zijn daarentegen bescheidener van omvang en richten zich op een gedeeltelijke transformatie van een kleinere samenleving. Dergelijke verbeeldingen, zo stelt Winter, ‘schetsen een wereld die heel anders is dan die waarin wij leven, maar waaruit niet alle sociale conflicten of alle onderdrukking zijn uitgebannen’ (Winter 2008, 5).

De indeling van utopische visies in twee hoofdarchetypen op basis van hun schaal en uiteindelijke doel kan effectief worden toegepast op het gebied van het Chinese utopisme. De kosmopolitische mondiale samenleving van de ‘Grote Eenheid’ van Kang Youwei, de communistische utopie van Mao Zedong en de Sinocentrische nieuwe wereldorde van Zhao Tingyang kunnen, net als de millenaristische wereldse paradijzen van de boeddhisten en taoïsten, worden opgevat als grote utopieën – pogingen om de samenleving op grote schaal radicaal opnieuw vorm te geven. De agrarische utopie die wordt beschreven in Peach Blossom Spring daarentegen is een kleine utopie die kan worden gegroepeerd met de boeddhistische berggemeenschap van Taixu, Zhang Xianglongs visie op speciale districten voor de confucianistische cultuur en de opzettelijke gemeenschappen van de 21e eeuw. Hoewel ze zich onttrekken aan de grenzen van traditionele categoriseringen, zijn kleine utopieën bijzonder opmerkelijk voor hedendaagse wetenschappers vanwege hun pogingen om een alternatieve ruimte te creëren voor jongere generaties die zich vervreemd voelen en die door de heersende samenleving worden gemarginaliseerd. Een verschuiving in de classificatie zal sinologen dan ook in staat stellen de grenzen van hun vakgebied te overschrijden en een substantiëlere bijdrage te leveren aan de uitbreiding en diversificatie van de utopische studies.

 

[Dit is de Nederlandse vertaling van Chinese Utopianism: A Historical Overview. Het origineel, met de literatuurverwijzingen, vindt u hier.]

Deel via: