Om erachter te komen of trekvissen de kier in de Haringvlietsluizen gebruiken om de rivieren op te komen, volgt Melanie Meijer zu Schlochtern van de Wageningen Universiteit meer dan 300 vissen met zendertechnologie. Daarbij verzamelt ze tot wel 20 miljoen datapunten – om uiteindelijk te achterhalen hoe vissen zich precies gedragen bij de sluizen.
In de haven van Stellendam laat Meijer zien hoe je een trekvis zendert. Buiten het kleine lab zwemmen de vissen in een tank waar constant vers zeewater doorheen gepompt wordt. De wetenschapper schept een van de vissen over in een kleinere bak met water. ‘Daarin is verdovingsmiddel opgelost’, legt Meijer uit.
Als de vis volledig is verdoofd, tilt ze hem op de operatietafel. De vis krijgt een nummer, wordt gemeten en gewogen, en Meijer neemt een DNA-monster. Terwijl een slang water over de kieuwen van het dier spuit, maakt ze vervolgens een kleine insnede in zijn buikholte. ‘Daar zit veel ruimte’, legt ze uit. In de opening plaatst ze een zender ter grootte van een flinke pil. Twee hechtingen sluiten de opening weer. ‘Dat was het alweer’, meldt de onderzoeker opgewekt, en brengt de vis weer naar buiten. Daar mag hij in haar handen wakker worden in de tank met stromend zeewater.
Meijer doet promotieonderzoek bij de Leerstoelgroep Aquacultuurbiologie en Visserijecologie en zenderde – met de hulp van onderzoeksbureau ATKB – in totaal 350 trekvissen: Atlantische zalm, zeeforel, zeeprik, Noordzeehouting en elft. Die werden weer uitgezet in de Noordzee. Vanaf daar zal Meijer volgen wat er precies met de trekvissen gebeurt die via het Haringvliet een weg naar hun paaigronden proberen te vinden.
Lees de hele Longread op de site van de WUR.