Daniël Kissling, universitair hoofddocent Quantitative Biodiversity noemt het ‘misschien wel de grootste publicatie’ waar hij ooit aan heeft gewerkt. ‘Het heeft in ieder geval de grootste gevolgen voor de echte wereld.’ Samen met biologen, beleidsmakers en wetgevers van de Europese Commissie werkte hij de afgelopen vijf jaar aan een monitoringssysteem – het Biodiversity Observation Network (BON) – dat de gehele biodiversiteit in Europa in kaart moet gaan brengen. Daarmee kan op Europees niveau bijgehouden worden hoe het staat met de biodiversiteit en hoe natuurherstel verloopt.

Nu ziet Europa er nog uit als een lappendeken als het gaat om het meten van biodiversiteit. Dat is historisch zo ontstaan. Sinds de jaren tachtig zijn er allerlei losse wettelijke kaders in het leven geroepen, zoals de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de Marine Strategy Framework Directive, om biodiversiteit te beschermen. Kissling: “De beste monitoringsystemen die we in Europa hebben zijn voor vogelsoorten, vlinders en voor sommige meren en rivieren. En daarvan weten we dat de biodiversiteit afneemt. Maar zelfs voor vlinders, de best gemeten insectengroep, zijn er toch grote delen van Europa – in Oost- en Zuid-Europa – waar we geen data van hebben.” Bovendien wordt dezelfde data vaak op verschillende manieren verzameld, wat het lastig maakt om ze op Europees niveau met elkaar te vergelijken.
Lees het hele verhaal op Folia, van de UvA.
Biodiversiteit in Europa
Beeld: Nature
Deel via: